De armen van Kairo hopen jarenlang op een rol als figurant; Het koffiehuis der dromen

Met eindeloze hoop en geduld zitten ze in café De Koe te wachten, de armen van Kairo. Elke dag weer kan er iemand in de deuropening verschijnen die ze roept voor een rolletje in een film. Insha'allah. Als Mohammed het gevoel heeft dat het vandaag een geluksdag zal zijn huurt hij een overhemd - dat helpt het geluk een handje. En als dat niet gebeurt? Dan gaan ze morgen verder met wachten en hopen.

De waard kiept door het open raam een plank aardappelschillen in de steeg. Ze rollen op een berg rottende uien en watermeloenen. Pal daarnaast zit Mohammed op een gammele houten caféstoel. Mohammed wil filmster worden. Daarom zit hij al vijf jaar elke dag in de steeg naast koffiehuis El-Ba'ara, De Koe, naast die stinkende berg.

Zijn zwarte krullen zijn met vet naar achteren gekamd. Hij draagt een broek met een vouw en een Hawaii-hemd, dat hij voor drie piasters (anderhalve cent) van de buurman heeft gehuurd. Vanmorgen toen hij wakker werd, had hij namelijk een voorgevoel dat het vandaag een geluksdag was. Op dit soort dagen probeert hij het geluk - el-hazz - een handje te helpen door zich te kleden alsof het hem al langer toelacht. Met extra toewijding had Mohammed de handen van zijn ouders gekust toen hij rond achten de deur uitging. “Geluksdag?”, had zijn moeder gevraagd, toen ze het Hawaii-hemd zag. Mohammed had geknikt. “Insha'allah”, had hij geantwoord. God, wat hoopte hij dat hij vanavond de zestien uitgesleten trappen van hun flatgebouw kon oprennen om haar tien pond (vijf gulden) in de hand te drukken. Wat hoopte hij dat hij dan, eindelijk, kalm en luid kon zeggen zodat alle buren het door de openstaande deuren konden horen: “Eerbare moeder, uw zoon heeft een close-up met Adel Imam gedaan.”

Met die droom in zijn hoofd heeft Mohammed de hele dag in de steeg naast De Koe gezeten, kaarsrecht op zijn stoel. Hij durfde zelfs zijn benen niet over elkaar te slaan, uit angst dat de vouw uit zijn broek zou verdwijnen. Een verfrommelde broek zou een slechte indruk maken. Hij wachtte. En hij wacht nog, tegen beter weten in. De man van de film is nog steeds niet gekomen. Het is nu één uur, de zon staat bijna loodrecht op de steeg te branden, dus de man komt ook niet meer. De filmcrews van Kairo zitten allang op locatie. Ze zijn vandaag voor de zoveelste keer zonder Mohammed aan de opnames begonnen.

Mohammeds droom is de droom van bijna elke Egyptenaar. De Egyptenaren zijn dol op de film. Ze eren de helden van het witte doek bijna net zoals ze Allah eren. Iedereen, hoe arm hij ook is, heeft in Egypte een tv. Die staat de hele dag aan. De ene soap-opera volgt de andere op. Het zijn bijna allemaal series die gaan over simpele mensen. Mensen die, zoals Mohammed, zweven tussen hoop en wanhoop. De man bijvoorbeeld die tegen zijn vrouw zegt dat hij bij een schoenfabriek werkt. Dan komt zij er natuurlijk achter dat hij helemaal geen werk heeft. Of de vrouw die ontdekt dat haar rijke 'verloofde' allang met iemand anders getrouwd is, en daardoor de schande wordt van de achterbuurt die ze al half de rug had toegekeerd. Iedereen herkent zich daarin. Er zijn ook series die over de rijken gaan. Die geven een uniek inkijkje in een gesloten wereld waar het gros van Egypte geen toegang toe heeft - een wereld vol marmeren badkamers, dure cadeaus en verre reizen. Bij Mohammed thuis, in de tweekamerflat in de straatarme buurt Sahil, zitten ze de hele avond op de bedden naar een klein zwart-wit-tv'tje te kijken. Daarom. Maar ook omdat er niets anders te doen is. “Al het andere wat leuk is”, zegt Mohammed, “kost geld”. Daarom heeft hij bijna nooit een meisje. De meisjes komen alleen als hij geld heeft, alsof ze het ruiken. Als het gebeurt, wordt hij zo zenuwachtig van dat idee dat hij het meisje niet eens durft te kussen. Hij is niet de enige met dat probleem. Zijn helden op tv hebben er soms ook last van. Dat is een hele troost.

Het beste melodrama van Egypte vindt live plaats, elke dag. Hier, in De Koe. De Koe is een koffiehuis zoals er in Egypte duizenden zijn. Een kale, betegelde ruimte met een verzakte houten bar en stoeltjes langs de muren. De tv staat aan. Aan het hoge plafond draait een wiek, zo traag dat de vliegen erop blijven zitten. Op planken achter de bar staan glaasjes voor thee en koffie, en shisha's, waterpijpen van beschilderd glas. Buiten op de stoep laat het zoontje van de eigenaar kooltjes gloeien in een metalen bak. Hij brengt ze met een tangetje naar de rokers.

Maar wat De Koe anders maakt dan andere koffiehuizen is dat hier elke dag tientallen arme Egyptenaren komen, zoals Mohammed, in de hoop dat ze worden ontdekt. De Koe ligt middenin het district van downtown Kairo waar de goedkope bioscopen zitten. In de kantoortjes boven die bioscopen worden scripts gelezen, opnames gepland en audities gedaan. Veel van de films die hier uitgedacht worden zijn voor de televisie bestemd. Die worden in de hele Arabische wereld uitgezonden. 's Ochtends als de busjes met acteurs, buikdansers en geluidsmannen naar de locatie vertrekken, is er wel eens een figurant die niet komt opdagen. Dan wordt er iemand naar De Koe gestuurd om er nog een te ronselen. De Koe is het laatste, het allerlaatste station.

Niemand kan zomaar naar De Koe om te wachten op werk. Je moet een 'oom' hebben, legt Mohammed uit, anders word je eruit gegooid. Een oom is een tussenpersoon aan wie je na een dag werken de helft van je loon moet betalen. Mohammeds oom is een oudere man met een bochel en lelijke pigmentvlekken in zijn gezicht. Hij zit binnen aan een tafeltje triktrak te spelen met een andere oom. Zoals de meeste andere armen in Egypte weet Mohammed niet beter dan dat je ooms nodig hebt om te kunnen werken. Op zijn twaalfde had hij al een oom. Toen verkocht hij damesschoenen op straat. Die oom maakte ruzie met de ooms van de andere straatverkopers om de beste plekjes.

Mohammed is 21. In de vijf jaar dat hij nu in De Koe zit heeft hij één keer een figurantenrol bemachtigd. Dat was anderhalf jaar geleden. Zijn ogen schitteren als hij erover vertelt. Het was in 'Geld & Zonen', een film die tijdens de Ramadan als feuilleton op de televisie werd uitgezonden. Er was al tien dagen geen man van de film naar De Koe gekomen om figuranten te zoeken. Ineens, tegen tienen 's ochtends, stond daar een magere man in de deuropening. Niemand kende hem, maar iedereen wist: dit is het uur U. De man was gehaast en hij was sjofel gekleed - de typische outfit van iemand die niet op een baan hoeft te wachten. De waterpijpen hielden op met borrelen, tientallen paar ogen keken hem gespannen aan. “Jij, jij, jij”, riep hij gehaast, “meekomen”. Mohammed was een van de drie.

Ze wilden hem voor een trouw-scène, waarin muzikanten om de bruid heen moesten drommen om haar te laten dansen. Het was een belangrijke scène, zegt Mohammed, want een trouwerij raakt in Egypte de harten van de mensen. De hele dag hadden ze gerepeteerd in de tuin van een restaurant in de buurt van de piramides van Giza. 's Avonds onder vrolijk gekleurde lampjes hadden ze het opgenomen. Misschien wel tien minuten lang. Zijn familie had het eerst niet willen geloven. “Leugenaar”, had zijn moeder gezegd toen hij het thuis vertelde. Zijn moeder vertrouwt Kairo voor geen cent. Ze zegt dat de stad vol uitbuiters en dieven zit. Ze heeft spijt als haren op haar hoofd dat ze uit haar dorp is vertrokken toen ze trouwde. Maar toen Mohammed haar negen pond gaf, zijn loon van die dag, moest ze wel geloven dat het echt een geluksdag voor hem was geweest. Later tijdens Ramadan had hij elke avond tijdens iftar - de eerste maaltijd van de dag tegen de schemering - met zijn vader, moeder, twee broers en zusje naar de tv gekeken. De hele flat keek uiteraard ook. Op de zevende dag werd de trouwscène uitgezonden. Toen de camera een keer van het gezicht van de bruidegom naar dat van de bruid gleed was de muziekgroep van Mohammed vluchtig in beeld. Het was maar een fractie van een seconde.

Zo”, zegt Mohammed, “is Adel Imam ook begonnen”. Dat is waar. Lang geleden zat de bekendste acteur van Egypte ook elke dag in De Koe. Op dagen dat er geen figuranten nodig waren, bracht Adel Imam koffie rond op de set en zette hij billboards van oude films opnieuw in de grondverf. Verven, dat doet Mohammed ook wel eens. Hier, in deze smalle steeg. Hij is er steeds dagen misselijk van, want uit de knalgele verf komen vieze dampen. Ook hangt hij wel eens billboards op van nieuwe films, overal in de stad. Hij zegt nooit nee tegen zo'n klus. Het gaat erom, vindt hij, dat je in het circuit belandt. Dat je gezien wordt. Misschien dat dan iemand op een dag jouw talent ontdekt. Zo werd Adel Imam ook een beroemdheid in het Midden-Oosten. Iedereen kent nu zijn eigenwijze gezicht met de brede mond. De vraag of hij wel of niet een haarstukje heeft, houdt de hele regio bezig. Hij heeft een eigen theater in de Piramidenstraat. In De Koe komt hij nooit meer.

De gelukszoekers in het koffiehuis zien er niet uit alsof zij, als zij het een keer gaan maken, wel zouden terugkeren om hun vrienden op te zoeken. Sommigen zitten er al veertig jaar, maar ze hebben er geen vrienden. In het café hangen geen filmaffiches, foto's van sterren of iets anders wat aan de professie herinnert. Er hangt enkel een indolente stilte. Iedereen dommelt een beetje op zijn stoel, leest de krant of loert naar de anderen. Het enige wat je hoort is het geborrel van de shisha's en de kroegbaas die hardhandig de glazen wast. Op straat manoeuvreren jongetjes met tulbanden handkarren vol meloenen of hout tussen de dubbelgeparkeerde auto's door. Ze schreeuwen, duwen, schelden, lachen. Dat is een andere wereld.

Het meisje dat vlak naast Mohammed zit, noemt zichzelf Mimi. Ze zweet onder een dikke laag make-up. Ze draagt een glamour-zonnebril met gouden randjes en hoge hakken waar goedkoop leer aan rafelt. Ze kan vijftien zijn, maar ook dertig. Zij zegt dat ze de dochter is van Nagah el-Mougi. Nagah el-Mougi is een beroemde komediante die in veel tv- en bioscoopfilms de rol van suikertante speelt. Omdat de kinderen van alle filmsterren in Egypte vanzelf ook filmsterren worden, gelooft niemand Mimi natuurlijk. Als de mannen van de film naar De Koe komen om een figurant te zoeken, kijken ze haar altijd een beetje meewarig aan. Als haar levensverhaal waar was, zou ze immers allang met haar 'moeder' in de mooiste suite van het Marriott-hotel wonen. Bovendien, fluistert men, zou ze in dat geval niet elke avond met haar 'oom' naar huis hoeven. Soms komt ze daarna terug in De Koe, onder de blauwe plekken.

Het meisje spuugt af en toe op de grond en loert zwijgend over de berg schillen naar Mohammed. Mohammed heeft zijn levensgeschiedenis trouwens zelf ook een beetje opgepoetst. Hij zegt altijd dat hij uit Alexandrië komt. Dat klinkt eleganter dan het afgelegen dorp in de Nijldelta waar nog nooit iemand van gehoord heeft. Bij de film, weet hij, willen ze geen boeren. Ze willen stadsmensen die iets van een opleiding hebben. Mohammed is nooit naar een school geweest, maar dat hoeven zij niet te weten.

Mohammed heeft medelijden met Mimi, maar hij praat nooit met haar. Als je praat, vindt hij, moet je op een dag je hart openen. Dat is gevaarlijk voor je carrière. Hoe meer mensen er in het koffiehuis weten wie je werkelijk bent, hoe moeilijker het is om in je eigen kleine leugentjes te blijven geloven. En die leugentjes heb je nodig om te kunnen blijven dromen. Dat geldt niet alleen voor de gelukszoekers bij de film. Het geldt ook voor Mohammeds broer Salim bijvoorbeeld. Die wil taxichauffeur worden. Dat is zijn droom: met een eigen taxi toeristen naar de piramides brengen en misschien wel helemaal naar de koningsgraven in Luxor. Salim is sjouwer in een bouwput van de metro in Kairo. Hij heeft ook een 'oom'. Vaak heeft Salim, net als Mohammed, dagen achtereen niets te doen. Hij heeft geen rijbewijs. “Maar ik laat hem van de taxi dromen”, zegt Mohammed. “Zonder droom kunnen wij niet leven.”

Verder vraagt hij Allah elke dag om hulp. Dat doen alle armen, zegt hij. De rijken niet, want die denken dat ze geen hulp meer nodig hebben. Daarom benijdt hij de rijken niet, want die worden vroeg of laat wel voor die hoogmoed gestraft.

Ook Madame Zizi, die spraakzamer is dan de gemiddelde stamgast in De Koe, is niet jaloers op de rijken. Ze zitten bovenop hun geld, zegt ze, uit angst dat ze alles weer kwijtraken. Egypte had in 1952 een revolutie. Toen namen simpele mensen de banen en huizen van de oude families over. Die simpele mensen zijn de rijken van nu. Maar zij leven met de vrees dat zoiets weer kan gebeuren. “Als je rijk bent, ben je bang voor iedereen. Zo zou ik niet willen leven.”

Madame Zizi moet vroeger mooi geweest zijn, dat zie je aan haar vollemaansgezicht. Ze draagt een rode gebloemde jurk en gouden kleppertjes. Haar haar is rossig geverfd. Zij heeft een gouden armband om, een cadeau van de laatste man in haar leven, een Libanees die haar tien jaar geleden verlaten heeft. De dochter van Madame Zizi woont bij de Libanees en wil haar moeder niet meer zien. Madame Zizi, die om de hoek een kamertje met een vriendin deelt, knipte op haar tiende al kaartjes. Vijf jaar later begon ze een loopbaan als buikdanseres. Nu is ze 45 en is nog steeds niet doorgebroken. “Fifi Abdou heeft mij een contract aangeboden”, zegt ze tegen Mohammed en zijgt amechtig neer op een stoel. “Als ik niet naar de dokter had gemoeten hadden we het contract vanmorgen getekend.”

Fifi Abou is de bekendste buikdanseres van Egypte. Ze is getrouwd met een Palestijnse multimiljonair en danst elke donderdag in het Sheraton-hotel voor de Golf-arabieren. Soms wordt ze voor een weekeinde naar Beiroet gevlogen om op een society-huwelijk te dansen. Dan gaan haar kapper en haar kleedster mee. Fifi Abdou is voor Madame Zizi wat Adel Imam voor Mohammed is: het hardnekkige bewijs dat een droom geen luchtkasteel hoeft te zijn. De twee vrouwen begonnen samen in De Koe. “Fifi had geluk, ik niet”, zegt Madame Zizi. “Maar ze schrijft me nog elke week. Laatst heeft ze een flat gekocht in Maadi, aan de Nijl.”

Mohammed zwijgt. Hij weet wat iedereen weet: Fifi Abdou kan lezen noch schrijven, dus Madame Zizi kan helemaal geen brieven van haar krijgen. Het nieuws over die flat in Maadi heeft hij, net als Madame Zizi en de rest van Egypte, in geuren en kleuren op de televisie gezien.

Ze horen een sirene op straat. En nog een. Hoewel er vandaag nog niets is gebeurd blijft iedereen gewoon op zijn stoel zitten. Pas als er een aanhoudend geschreeuw klinkt wandelt Mohammed naar het eind van de steeg om te kijken wat er aan de hand is. Dwars op straat staan een overvalwagen en wat politie-auto's geparkeerd. Aan de overkant trappen agenten een deur in die meteen krakend meegeeft. Mohammed en Madame Zizi gaan op de stoep van De Koe tussen de andere gelukszoekers zitten. Niemand is zo te zien onder de indruk. De 'ooms' triktrakken door. Madame Zizi bestelt een glas melk.

Na een minuut of vijf komen de agenten het huis weer uit. Ze hebben drie mannen tussen zich in geklemd. Bebaarde mannen in lange jurken. Met het hoofd voorover en de handen vastgebonden in hun nek worden ze hardhandig het overvalbusje in geduwd. Als de optocht vertrekt hebben de mannen hun gezichten tegen de tralies van het raampje geperst. Daarna lopen Mohammed en Madame Zizi de steeg weer in. “Terroristen”, mompelt Madame Zizi voor zich uit. Die verstoppen zich altijd in arme wijken, zegt ze. Zodat de politie denkt dat de armen het weer gedaan hebben. Ze kent niemand van die lieden. En ze kent ook niemand die een van hen kent.

“Weet je wat ik doe? Ik ga naar huis. Ik heb hoofdpijn. Als het morgen nog niet over is, ga ik misschien een dag niet werken.” Ze wandelt weg zonder dag te zeggen. Net op tijd, want de waard klopt door het raam een aluminium bakje waterpijp-as leeg. Er dwarrelen deeltjes op de stoel waarvan Madame Zizi net is opgestaan.

Plotseling zegt Mohammed: “Helden vallen altijd tegen als je ze in het echt ziet.” Tijdens de opnamedag van 'Geld & Zonen' had hij aan de beroemde actrice Lucy gevraagd of hij met haar op de foto mocht. Ze was gaan schelden en had hem een klap verkocht. Iedereen had hem uitgelachen op de koop toe. Mohammed weet ook dat Farid Shawi die in de film altijd vrome rollen speelt, in het echt vaak dronken is. En zijn 'oom', de man met de pigmentvlekken, had eens toevallig met de vrouw van een gevierde acteur in de taxi gezeten. De vrouw klaagde steen en been over de acteur. Ze was zijn tweede echtgenote. “Hij is alleen met me getrouwd, omdat mijn moeder op de Amerikaanse ambassade werkt”, had ze gezegd. “Hij kan niet eens tot tien tellen. Hij slaat me. Ik heb spijt als haren op mijn hoofd dat ik op hem gevallen ben vanwege zijn faam.” Maar dit soort informatie maakt Mohammed niet minder vastbesloten. Het brengt de droom juist dichterbij. Als deze leeghoofden het kunnen maken, dan moet het hem toch ook lukken?

Daarom ook zit Fuad al ruim dertig jaar op de stoep van cafe De Koe. Hij is een kale, oude man met opgeblazen buik en droevige ogen. Zijn tropenhemd is mooi gestreken. Hij zit op de stoep, een pak papier onder zijn arm geklemd. Dat is een met de hand geschreven melodrama, waar Fuads levensverhaal in is verweven. Het gaat over een man die door Allah gezegend is met uitzonderlijke poëtische talenten. Omdat hij arm is, wordt hij honderd keer bedrogen. Maar ten slotte wordt hij beloond voor zijn doorzettingsvermogen en wordt hij toch nog erkend als de beste dichter van Egypte. Alle oplichters die in de loop der jaren het pad van de held hebben gekruist lopen aan het eind tegen de lamp. Maar als hij hun bange gezichten in de rechtszaal ziet vraagt de held de rechter om ze vrij te laten. Een goed moslim is immers niet wraakzuchtig. “Ik denk dat iedereen het een mooi verhaal vindt”, zegt Fuad. “Het is klassiek, zoals de films vroeger waren. Mensen hebben genoeg van series met Aids en zwangere meisjes erin.”

De mannen van de film willen het script van Fuad niet lezen. Een keer, jaren geleden, had een van hen interesse getoond. Hij had Fuad zelfs uitgenodigd voor een lunch van gebakken vis en hummus. Na het eten was de man opgestaan om even te bellen. Hij was nooit teruggekomen. Fuad moest de rekening betalen. Maar wat erger was, de man was verdwenen met het script. Dus toen had Fuad het nog maar een keer geschreven. Elke avond als hij de tv aanzet is hij een beetje bang dat de omroeper zegt: “Dames en heren, zo dadelijk kunt u kijken naar een nieuwe serie, getiteld 'De Beste Dichter Van Egypte'.

De zon staat al laag. De zwaar opgemaakte Mimi is vertrokken, maar niemand heeft het gemerkt. Er komen twee dwergen de steeg in, moeder en dochter, in een middeleeuwse uitrusting van fluweel en kant. Ze zijn vaak op de televisie te zien. De moeder is trommelaarster, haar dochter een soort clowntje. Ze kijken Mohammed aan, maar zeggen niets. Ze zijn kennelijk op zoek naar iemand die er niet is. Dan dribbelen ze de steeg weer uit. Mohammed blijft alleen achter. Hij rekt zich uit. “Als ik een ster was”, zegt hij dromerig, “dan gingen we nu na een lange werkdag wat drinken op een van de boten aan de kade van el-Faraq”. Hij gaat daar wel eens kijken 's avonds. Dan gaat hij op een bankje zitten onder de bomen, in een wolk van muggen, met zijn rug naar de oude theaters uit de tijd van koning Farouk.

De theaters zijn nu gesloten. Er zitten werkplaatsen in - matrassenmakers, meubelmakers. Maar de boten liggen er nog, zachtjes dobberend in de Nijl. Kleine platbodems zijn het, overdekt met vrolijk gekleurd zeil waaraan lampjes zijn opgehangen. Aan de overkant van het water zie je de schoorstenen en lichtjes van de metaalfabriek waar Mohammeds vader wel eens werkt. Mohammed zit altijd zo dicht mogelijk bij de trap naar beneden, naar de werf. De filmsterren komen vlak langs hem heen. Hij kent ze allemaal, van gezicht. Hij kent de verhalen die over hen de ronde doen, hun persoonlijke drama's. Hij weet wat ze drinken, in wat voor auto's ze rijden. Hij slaat alles in zijn geheugen op. Hij groet ze altijd. Maar ze zeggen nooit iets terug.

“Het hindert niet”, zegt Mohammed. “Het ligt niet aan hen. Het ligt niet aan mij. Het ligt aan het geluk.” Omdat Allah het geluk op onverwachte momenten op de mensen laat neerdalen, zal Mohammed morgen weer in de steeg naast koffiehuis De Koe zitten, naast die berg schillen, hopend op die ene close-up met Adel Imam. En overmorgen en de dagen erna ook.

    • Caroline de Gruyter