Couzy blies namens zijn manschappen stoom af

DEN HAAG, 6 JULI. Gelieve niet aan te vallen na vrijdagmiddag vier uur. Wie dan bijvoorbeeld contact zoekt met brigade-generaal J. Karssing, de kersverse commandant van de 11de Luchtmobiele Brigade te Schaarsbergen, paradepaard van de vernieuwde Nederlandse strijdkrachten, mag na de piep een boodschap inspreken en wordt zo snel mogelijk teruggebeld.

In de Haagse Juliana-kazerne, waar de staf van de Koninklijke Landmacht zetelt, neemt na vieren helemaal niemand meer op, behalve een telefoniste die zegt dat “iedereen hier naar huis” is “omdat ze wat eerder beginnen”.

In de Intercity Den Haag-Utrecht van 16.06 uur is het op dat tijdstip meestal dringen om een plek te vinden in de eerste klasse.

Veel stoelen zijn bezet door kapiteins, majoors en overstes in camouflage-groen, die een Telegraaf of een Algemeen Dagblad van die ochtend uit hun attaché-case halen en een achtergebleven boterham met kaas uit een Tupperware-doos peuzelen.

Het is mogelijk te vroeg om oud-minister van Defensie Ter Beek gelijk te geven die in 1993 zei dat de Nederlandse strijdkrachten op weg zijn een “van-9-tot-5-leger” te worden. Maar het dynamische je-bent-jong-en-je-wilt-wat-leger dat de deze week rumoerig vertrokken landmacht-chef, luitenant-generaal H.A. Couzy, in de steigers moest zetten, is er ook nog niet.

Bijna drie jaar na de Prioriteiten-nota - het regeringsbesluit om de dienstplicht geleidelijk af te schaffen, de sterkte te halveren tot zo'n 70.000 beroepsmilitairen en tot 1998 ruim 900 miljoen gulden te bezuinigen - bevindt de landmacht zich nog steeds in een schimmig overgangsgebied. In de Koude Oorlog was het gevaar misschien omvangrijk, maar meestal relatief ver weg. Nu kunnen dezelfde Nederlandse militairen ongevraagd worden opgeroepen om kleine, maar zeer nabije oorlogen te helpen blussen, zoals in Bosnië.

“Dat heeft een geweldige schok gegeven”, zegt een hoge officier. “Door de vermaatschappelijking van de krijgsmacht zijn veel officieren gaan lijken op burger-ambtenaren. Die cultuur verandert nu, maar het vergt veel mentale souplesse je daaraan aan te passen.”

De Nederlandse marine en de luchtmacht zijn met hun geringe aantallen dienstplichtigen de facto altijd al beroepslegers geweest. Bij de landmacht zijn de veranderingen het grootst en daarmee de onzekerheid bij het kader. Volgens hoge officieren, oud-officieren en militaire analisten maakte Couzy de afgelopen jaren dan ook geen ruzie met de politiek omdat hij zijn plaats niet kende, maar omdat hij plaatsvervangend stoom afblies.

“Hij vertolkte de gevoelens van een deel van het landmacht-personeel dat zich in de steek gelaten voelde”, aldus een hoge officier die is gespecialiseerd in politiek-militaire verhoudingen. “Bij de landmacht is geen steen op de andere gelaten”, zegt voormalig chef-staf van de Nederlandse strijdkrachten, generaal b.d. A. van der Vlis, die in 1994 opstapte omdat hij de voorgestelde bezuinigingen onverantwoord achtte.

Pag.3: 'Politiek in Nederland liet leger zwemmen'

“Bij de landmacht is geen steen op de andere gelaten”, zegt voormalig chef-staf van de Nederlandse strijdkrachten, generaal b.d. A. van der Vlis, die in 1994 opstapte omdat hij de voorgestelde bezuinigingen onverantwoord achtte. “De dienstplicht is afgeschaft; het 1ste Legerkorps is opgeheven en geïntegreerd met het Duitse leger, wat een enorme stap is voor een soeverein land; er zijn honderden reorganisatie-projecten aan de gang, die zullen leiden tot ontslag van 'overtollig personeel' - een vreselijk woord. Daaroverheen is de eis gekomen om deel te nemen aan vredesoperaties en crisisbeheersing, wat een totaal andere mentaliteit vraagt en wat bovendien 'Srebrenica' - een zwarte dag - heeft opgeleverd.

“Als je dat bij elkaar optelt en je weet ook dat de krijgsmacht veel minder autoritair is georganiseerd dan vroeger, maar een open sub-samenleving is geworden met bonden en inspraak en gecompliceerde bedrijfsmatige processen, dan begrijp je wat voor zware taak de leider heeft die zijn werk goed wil doen. Hij moet niet alleen met de politiek kunnen omgaan, maar het personeel moet het gevoel hebben dat de baas achter ze staat.”

Dat geeft spanning, zegt Van der Vlis. “Hoewel er geen discussie kan zijn over het primaat van de politiek, moet de bevelhebber het recht hebben om over de tafel te komen. Hij moet iemand zijn met een gezicht en in een open samenleving is debat acceptabel.”

De kwesties waarover Couzy de afgelopen jaren stampei maakte - zoals de hoogte en aard van de bezuinigingsvoorstellen en de levensvatbaarheid van peacekeeping in ex-Joegoslavië - hebben volgens militaire insiders alles te maken met de haperende verhouding tussen de Haagse politiek en de strijdkrachten.

“Politici velen nu eenmaal geen kritiek van niet-politici, maar ze moeten wel beseffen dat Couzy een ambtenaar is die over kwesties van leven en dood moet beschikken”, zegt J.W.M. Schulten, voormalig docent strategie aan de Koninklijke Militaire Academie (KMA) in Breda. Daar komt volgens hem een ander, cultuur-historisch bepaald probleem bij: “Nederland had in 1795 voor het laatst een beroepsleger; tweehonderd jaar dienstplicht kun je niet even in drieënhalf jaar ongedaan maken.”

In de jaren zestig en zeventig bestudeerde Schulten de omvorming van respectievelijk de Britse en Amerikaanse strijdkrachten van een dienstplichtigenleger in een beroepsleger. Anders dan Nederland hadden de Verenigde Staten en Groot-Brittannië tot voor de Tweede Wereldoorlog een beroepsleger. “De herinnering daaraan was levend”, zegt Schulten. “Daarom hebben de Britten en Amerikanen de transformatie van hun legers goed voorbereid en begeleid. 'Het Plein' [het ministerie van Defensie] heeft alles gezellig doorgeschoven naar 'de Juliana-kazerne' [de landmacht-staf]. De Nederlandse politiek heeft de landmacht laten zwemmen.”

De huidige reorganisatie schept volgens Schulten vooral “quasi-dienstplichtigen”. Om te komen tot een efficiënt beroepsleger moet volgens hem allereerst de rechtspositie van professionele militairen worden geregeld. “Zijn hun pensioenen overdraagbaar als zij de krijgsmacht verlaten? Welke medische voorzieningen krijgen mensen die beroepshalve veel grotere risico's lopen dan anderen? Hoe begeleid je de doorstroming van militairen naar de burgermaatschappij en voorkom je de mexicanisering van de krijgsmacht met een overvloed aan hoge rangen?,” aldus Schulten. Met het oplossen van die vragen heeft de politiek volgens hem nog geen begin gemaakt.

“We zijn er niet uit, maar het uur der waarheid nadert”, zegt oud-stafchef Van der Vlis. “Na drieënhalf jaar van reorganisatie liggen de belangrijkste problemen er nog, zoals dat van de gedwongen ontslagen.”

Volgens generaal der mariniers C. Homan, directeur van het militaire opleidingsinstituut Defensie-leergangen Ypenburg, moet de moderne officier zowel krijgsman, diplomaat als manager zijn, althans in vredestijd. Na het verschijnen van de Prioriteitennota schreef hij in deze krant dat leidinggevende militairen tegenwoordig “maar één zekerheid hebben: alles is onzeker”. In dat licht is Couzy niet onloyaal geweest zoals de politiek hem heeft verweten, zegt Homan nu, “en zeker geen representant van de van-9-tot-5-cultuur”. “Veel veranderingen binnen de landmacht heeft hij afgedwongen tegen de stroom van de belangenverenigingen in”, aldus Homan.

En Schulten: “Als er herrie is geweest, is iedereen daarna altijd opgelucht en wil men wel samenwerken. In die zin krijgt Couzy's opvolger [de generaal Schouten] het gemakkelijker.”

    • Hans Steketee