Betere begeleiding voor deelnemers van emotie-tv

UTRECHT, 6 JULI. Mensen die op de televisie vertellen over hun psychische problemen zouden vóór de opnamen veel uitvoeriger en concreter geïnformeerd moeten worden over alle aspecten en voorwaarden voor deelname aan het programma. Dan kunnen kandidaten een gefundeerde beslissing nemen over hun medewerking aan het programma.

Dat adviseert prof. dr. R.F.W. Diekstra, hoogleraar klinische en gezondheidspsychologie aan de Rijksuniversiteit Leiden. Diekstra deed onderzoek naar de ervaringen van deelnemers van het televisieprogramma 'Het onderste boven', en naar de emotionele en sociale gevolgen van hun televisieoptreden. In het eerder dit jaar uitgezonden programma, dat mede werd gepresenteerd door Diekstra, kwamen in zes afleveringen de onderwerpen stress, angst, depressie, verslaving, schizofrenie en dementie aan de orde. Van de in totaal 64 deelnemers werkten er 44 aan het onderzoek mee. Het programma en het het onderzoek werden financieel gesteund door het Nationaal Fonds Geestelijke Volksgezondheid (NFGV) in Utrecht, dat tevreden is over het project.

De resultaten van het onderzoek naar de effecten van het televisie-optreden, volgens de Leidse hoogleraar het eerste ter wereld, zijn voor wat betreft het programma van Diekstra gunstig te noemen. Diekstra wil binnenkort ook deelnemers aan andere programma's waarin mensen vertellen over persoonlijke problemen ondervragen. Vrijwel alle deelnemers waren tevreden over de begeleiding van de redactie tot en met de opname en uitzending van 'Het onderste boven'. Driekwart van hen was ook tevreden over de kwaliteit van de uitzending. De ene helft van de deelnemers was tevreden over hun eigen bijdrage aan de uitzending, de andere helft was ontevreden, vooral omdat men zichzelf op het scherm niet goed vond overkomen. Een meerderheid zei te hebben meegedaan om andere mensen te helpen bij soortgelijke psychische aandoeningen. Een andere motivatie is volgens Diekstra de zogeheten 'coming out', het laten zien hoezeer men in geestelijke nood leeft.

Het optreden voor de televisie leidde in het geval van 'Het onderste boven' tot vele tientallen reacties per deelnemer, vrijwel allemaal positief. Een klein aantal reacties was negatief. Juist deze laatste reacties moeten volgens Diekstra serieus genomen worden. De ervaring bij andere programma's leert dat sommige mensen jaren later, als een programma waarin zij hebben gefigureerd wordt herhaald, daarvan alsnog last kunnen krijgen, bijvoorbeeld op het werk dat ze na een geestelijke inzinking weer hebben gevonden. Een meerderheid van zestig procent verklaarde dat het praten over hun aandoening een positieve invloed op hun leven heeft gehad, tweederde zou aan een dergelijk programma opnieuw meedoen. “De durf hebben opgebracht om erover te praten en informatie te hebben opgedaan over het omgaan ermee zijn vooral van belang”, aldus het onderzoek. Een enkeling raakte volgens Diekstra kort na de uitzending in een dal als gevolg van een harde negatieve reactie, maar enkele weken later bleek die negatieve reactie toch louterend te hebben gewerkt.

Uitgebreide voorlichting van tevoren kan in een brochure gegeven worden die men thuis kan lezen en kan doorspreken met anderen in de omgeving. Ook adviseert Diekstra de makers van de praatprogramma's om kandidaten na afloop ruimschoots de kans te bieden met andere deelnemers na te praten. Dit is volgens de Leidse hoogleraar een goede gelegenheid om stoom af te blazen. Het kan de eigen onzekerheid over het optreden reduceren en de deelnemers kunnen er zinvolle contacten opdoen. Ook zouden de makers de mensen later nog eens kunnen inlichten over de reacties die er bij de Stichting Korrelatie over het programma zijn binnengekomen. Verder zouden de deelnemers altijd tevoren ingelicht moeten worden over een herhaling van de uitzending. Ten slotte moeten programma's als deze nooit live worden uitgezonden. “Gooi de mensen niet voor de leeuwen”, aldus Diekstra.

Het NFGV hoopt dat de aanbevelingen van het onderzoek een aanzet vormen voor het opstellen van richtlijnen aan programmamakers in de begeleiding en nazorg van mensen die op de televisie over hun persoonlijke problemen vertellen.