Achter slot en grendel

HERMAN FRANKE: De macht van het lijden. Twee eeuwen gevangenisstraf in Nederland

363 blz., geïll., Balans 1996, ƒ 49,90

Iemand die in Nederland een ernstige misstap begaat en daarop wordt betrapt, al of niet op heterdaad, wordt in de regel gestraft. Dat bevredigt ons gevoel voor orde en rechtvaardigheid. De straf kan bestaan uit een geldboete, uit rectificatieplicht, een straatverbod, het intrekken van een rijbewijs, het volgen van een cursus, verplichte dienstverlening of uit voorwaardelijke of onvoorwaardelijke gevangenisstraf, afhankelijk van de aard van het gepleegde vergrijp. De hoop is dat de dief, de verkeersovertreder, de ontvoerder of de aanrander zijn of haar lesje zo zal leren, en voortaan beter op zal passen. Waar mogelijk wordt tegenwoordig liever een alternatieve straf gegeven dan gevangenisstraf. Onlangs kregen enkele leden van de familie Van der Valk en de voetballer Patrick Kluivert zulke zogeheten taakstraffen opgelegd. Dat lijkt ook verstandig, want het effect van vrijheidsberoving is niet erg hoopgevend. Zo zou je tenminste De macht van het lijden, een omvangrijk wetenschappelijk essay van Herman Franke over twee eeuwen gevangenisstraf in Nederland, kunnen samenvatten.

Vuilnisbakken

In al die jaren veranderde er veel, maar wat men ook probeerde, hoe wreed, streng of mild men de gevangene ook bejegende, de misdaad is gebleven en gerecidiveerd wordt er ook nog steeds volop. Het ironische toeval wil dat er aan het begin van Frankes onderzoeksperiode ongeveer evenveel mensen (rond de 10.000) in de gevangenis zaten als aan het eind ervan, hoeveel verschil er verder ook is tussen de situatie toen en nu. Een kleine tweehonderd jaar geleden waren er relatief veel meer gevangenen dan nu. Maar voor kleinere vergrijpen werd men toen sneller en langduriger opgesloten en alternatieve straffen waren er niet, tenzij men lijf- en doodstraffen als alternatieven wil zien. Bovendien werden niet alleen misdadigers opgesloten en mensen die nog niet veroordeeld waren, maar ook wel zieken, zwervers, hoeren, bejaarden en zwakzinnigen.

Gevangenissen waren in het begin van de negentiende eeuw verzamelplaatsen voor mensen met wie men geen raad wist. Franke betitelt ze als 'vuilnisbakken van de samenleving'. Vuilnisbakken moeten het ook bijna letterlijk geweest zijn: overvolle, stinkende, onvoldoende geventileerde en onverlichte ruimtes, waar men te weinig en soms zelfs bedorven eten kreeg en de dagen veelal in ledigheid moest doorbrengen. “Waarlijk, voor den ergsten boef zoude men deze gevangenishokken vreeselijk, ja onmenschelijk kunnen noemen”, meldde een arts over het Amsterdamse gevangenisleven omstreeks 1820.

In geuren en kleuren wordt het gevangenisbestaan, van 1775 tot 1995, uit de doeken gedaan en aanschouwelijk gemaakt, onder meer met behulp van beschrijvingen van ooggetuigen en van de gevangenen zelf. De macht van het lijden is misschien wel een wat somber stemmende, maar in elk geval ook een interessante en bewonderenswaardig heldere studie, waarin theorie en praktijk van het gevangeniswezen in een levendige afwisseling aan bod komen. Dat Franke niet alleen criminoloog is, maar ook nog schrijver van twee romans (Weg van loze dromen, 1992 en Nieuws van de nacht, 1995), is aan compositie en stijl wel af te lezen. Een rode draad vormt het leed van de gevangenen, dat paradoxaal genoeg, zoals Franke niet moe wordt om uit te leggen, bijdraagt aan een verbetering van hun positie, hoe onbewust misschien ook. Door lichamelijk of psychisch te lijden onder de gevangenschap, dwingen zij de bestraffers er steeds weer toe het systeem aan te passen, of op zijn minst betere argumenten te verzinnen voor de handhaving van het oude systeem.

Graftombe

Over de misdrijven die de gevangenen op hun kerfstok hebben, rept Franke niet in zijn boek. Die doen er in dit verband niet toe. Hun strafblad blijft hier onbeschreven, zodat alle aandacht zich kan richten op hun lot als gestraften en op de wijze waarop zij door hun bestraffers behandeld worden. Hij laat er geen twijfel over bestaan hoe akelig en wreed dat lot is, al verschoof de aandacht geleidelijk van het lichamelijke naar het meer geestelijke lijden. In de eerste helft van de negentiende eeuw bracht men, om de kosten te drukken, zoveel mogelijk gevangenen in één ruimte onder, “alsof men mummies in eene graftombe wilde opzamelen”, zoals een gevangenisdeskundige het destijds beeldend uitdrukte. Maar de chaotische en zedeloze taferelen die daarvan het gevolg waren, pasten steeds minder in de langzaam opkomende Verlichtingsidealen. Bovendien achtte men deze vorm van opsluiting nog niet afschrikwekkend genoeg, ondanks de hoge sterftecijfers. Het was te gezellig, al die boeven bij elkaar, zo oordeelde men. Dat moest immers wel de reden zijn waarom zovelen na hun ontslag in herhaling vervielen.

Gevangenisstraf diende niet langer alleen ter afschrikking en ter vergelding, maar ook om het zedelijk peil van de gevangenen op te krikken. Zij moesten van hun misdadige aanleg afgeholpen worden om recidive te voorkomen. In het buitenland waren experimenten uitgevoerd waarin zware criminelen niet langer gemeenschappelijk opgesloten werden, maar ieder in aparte cellen. In Nederland gingen ook steeds meer stemmen op voor eenzame opsluiting, vanwege de wetenschappelijk verantwoorde en beschaafde uitstraling ervan, hoe ongunstig de uitkomsten van die experimenten ook waren.

Waandenkbeelden

En zo werd op 1 oktober 1850 de eerste cellulaire gevangenis in gebruik genomen, aan de Weteringschans in Amsterdam. Franke geeft een verbijsterende indruk van het totale isolement waarin gevangenen geacht werden te leven. Ze hadden geen namen meer, maar nummers. Onderling contact was niet toegestaan. Een half uur per dag mochten ze buiten rondlopen, op vijftien pas afstand van elkaar, met een zogenoemde celkap op hun hoofd, zodat ze elkaar ook niet konden zien tijdens het luchten. Ze werkten tien uur per dag in hun kale cel en het eten werd hun drie keer per dag zwijgend aangereikt door het etensluikje. Het cellulaire stelsel werd zo absurd ver doorgevoerd dat de gevangenen op zondag de 'hokjeskerk' konden bezoeken.

Dat er na de invoering van dit zo beschaafd en menslievend geachte celstelsel meer zelfmoord werd gepleegd en het aantal gevallen van krankzinnigheid steeg, werd aanvankelijk min of meer doodgezwegen. Oog voor psychisch leed was er toen praktisch niet. Een dominee die een gevangene in zijn cel bezocht, vond het bijvoorbeeld helemaal niet zorgwekkend dat de man waandenkbeelden had. Eenzaam voelde hij zich niet, want als het schemerig werd, zag en hoorde hij zichzelf voortdurend. “Midden in de menschen was ik dikwijls alleen; en nu ik alleen ben, ben ik meest met zijn tweeën”, tekende de dominee op uit de mond van de naar zijn indruk godvruchtige gevangene.

De verantwoordelijke ministers destijds moesten kiezen tussen twee kwaden: de gemeenschappelijke hel van een veel te krap, stinkend hok, of de martelende eenzaamheid tussen vier grauwe muren. Desondanks stak geregeld de angst voor 'filantropie' de kop op. Nog in 1933 pleitte een Rotterdamse rechter voor 'voedsel met weinig smaak', een kortere nachtrust, meer arbeidsuren en het intrekken van alle voorrechten. Ook zag hij wel wat in 'elimineering zonder meer'.

Resocialisatie

Pas na de Tweede Wereldoorlog werden hervormingen doorgevoerd. De eenzame opsluiting werd afgeschaft, al bleef het wel in gebruik als disciplinaire maatregel. Het doel van gevangenisstraf richtte zich nu niet langer op zedelijke verheffing of heropvoeding, maar op zogeheten resocialisatie, de voorbereiding op de terugkeer in de samenleving. Maar ook aan het nut van dit nieuwe ideaal werd al spoedig getwijfeld, omdat gevangenisstraf, óók in de moderne open en halfopen inrichtingen, per definitie de terugkeer in de samenleving bemoeilijkt. In 1982 zag mr. M. Scheltema, de toenmalige staatssecretaris van justitie, in gevangenisstraf ironisch genoeg vooral een recidive-bevorderende factor. “Na bijna anderhalve eeuw van optimisme en idealisme werd van de gevangenisstraf nog slechts verwacht dat zij tegenging wat ze zelf aanrichtte”, merkt Franke droogjes op, in een van de laatste hoofdstukken.

Tot op de dag van vandaag kampt men met het strafrechtelijke dilemma dat het kwaad kennelijk alleen met ander kwaad vergolden kan worden. Dat wordt geïllustreerd door de recente, dramatische gebeurtenissen in het Rotterdamse huis van bewaring Noordsingel. Vier gevangenen pleegden er het laatste half jaar zelfmoord en twee deden daartoe een poging. Een van de bewaarders sprak van 'detentie-psychose', een psychische aandoening die aan het eind van de vorige eeuw ook al werd geconstateerd bij sommige gevangenen.

Misdaad en straf. Het zijn woorden die vaak in één adem worden uitgesproken, maar die elkaar in de praktijk niet altijd even goed verdragen. Straf is misschien wel het logische vervolg op misdaad, maar maakt er niet vanzelfsprekend een eind aan. Nieuwe misdaad kan er het gevolg van zijn of andere 'detentie-schade'. Franke heeft geen moreel oordeel over misdaad, maar wel over straf. Hij pleit voor een mild strafsysteem, waarin ruimte is voor de gedachte dat misdaad niet uitzonderlijk is, maar iets dat bij het leven hoort, of we dat nu leuk vinden of niet. Een lankmoedige houding tegenover iemand die een misstap heeft begaan, zou een samenleving sieren - al was het maar omdat zij er misschien zelf aanleiding toe heeft gegeven.

    • Janet Luis