Vermeers razernij; Onvoorziene omstandigheden

In de catalogus bij de bejubelde Vermeertentoonstelling in Washington en Den Haag lees je niets over de dood van de held. Alleen de plaats en de datum van zijn begrafenis worden vermeld: in de Oude Kerk in Delft, op 16 december 1675. Toch weten wij meer. In juli 1677 verzocht Johannes Vermeers weduwe de Staten van Holland en West-Friesland te mogen beschikken over geld dat nog vastzat in een erfenis.

Haar petitie beschrijft de dood van haar man in woorden die mij niet los willen laten: 'Hoe de voornoemde Johannes Vermeer gedurende deze ruïneuze en langdurige oorlog niet alleen niets heeft kunnen verkopen van zijn eigen kunst, maar ook tot zijn grote schade met schilderijen van andere meesters, waarin hij handelde, is blijven zitten. Daardoor dus en door de zeer grote last van zijn kindertal - zelf bezat hij niets - zat hij zodanig diep aan de grond en trok zich dit zo hevig aan, dat hij als het ware in een frenesij [razernij] verviel en in anderhalve dag van gezond dood bleef.'Vermeer was een van de allerbeste beoefenaren van een hooggewaardeerd vak.

Schilderijen vormden een onlosmakelijk onderdeel van het goede leven in het zeventiende-eeuwse Nederland. Vermeers composities waren briljante uitbeeldingen van precies die levensstijl waaraan ze zelf zo'n glans verleenden. Dat zie je alleen al aan de schilderijen binnen zijn schilderijen. Oorlog of geen oorlog, hoe kon het gebeuren dat de markt zo compleet wegviel voor zo'n begerenswaardig produkt?

Het archiefonderzoek van de Amerikaanse econoom Michael Montias werpt een melancholiek licht op de zaak. Hij ging Nederlandse boedel-inventarissen na op de daarin vermelde schilderijen en merkte dat vanaf ongeveer 1650 het aandeel van recent werk een dalende lijn begon te vertonen tegenover dat van oudere schilders. Als onmiddellijke oorzaak kan het uitbreken van de Eerste Engelse oorlog, die de Nederlandse economie plat legde, worden aangemerkt. Verzamelaars die altijd het nieuwste werk van levende meesters wilden hebben, vonden ineens dat ze al meer dan genoeg schilderijen aan de muur hadden hangen. Na de oorlog begonnen ze weer te kopen, maar op kleinere schaal. De cijfers zijn ronduit schokkend. In 1650 bestond bijna 60 procent van de gemiddelde Amsterdamse verzameling uit werk van levende meesters. Veertig jaar later was dat gedaald tot minder dan 15 procent. Dat Vermeer zijn werk aan de straatstenen niet kwijt kon, was niet alleen het gevolg van de lange, ruïneuze oorlog met Frankrijk. De klad in de schilderkunst maakte deel uit van een langere trend, die door de inval van de Fransen in 1672 acuut werd.

Het effect van het dalende aantal verkochte nieuwe schilderijen werd nog versterkt door een tweede verschuiving: die van historiestukken - schilderijen met bijbelse of mythologische voorstellingen - naar genre: schilderijen met taferelen uit het dagelijkse leven. In de loop van de zeventiende eeuw daalde het aantal histories van 44 tot 10 procent, terwijl genre steeg van 4 naar 12. Dat was een aanzienlijke schadepost voor de schilders: historieschilderijen waren gemiddeld tweemaal zo groot als genrestukken en deden bijna tweemaal zoveel. Iemand als Vermeer verkocht dus niet alleen minder in aantallen, maar wat hij verkocht, bracht maar de helftop van wat zijn leraren voor hun werk hadden gekregen.

Dat schilders en verzamelaars hun kaarten zetten op het genreschilderij (en daarmee beelden in het leven riepen die wij zijn gaan beschouwen als de essentie van de Nederlandse cultuur), was niet een echte keuze. Het was een poging van schilders enige houvast te vinden terwijl de grond onder hunvoeten wegzonk. Voor velen is de poging mislukt. Een van hen was Johannes Vermeer. Een kunstenaar wiens werk museumgangers en masse tot sereniteit kan brengen, eindigde zijn leven in een aanval van razernij.