Studie naar faillissementswet; Doorstart vaak gebruikt voor lozing personeel

ROTTERDAM, 5 JULI. Bij voortzetting van bedrijfsactiviteiten na een faillissement (de zogeheten 'doorstart') is in ten minste 20 procent van de gevallen sprake van een bewust beleid om langs deze goedkope weg personeel te lozen of een bedrijfconflict te beeïndigen.

Dat blijkt uit een deze week vrijgegeven onderzoek van het Hugo Sinzheimer Instituut (Universiteit van Amsterdam) naar oneigenlijk gebruik van de Nederlandse faillissementswet.

Het onderzoek, verricht in opdracht van het ministerie van Justitie, is de eerste uitgebreide rapportage over het inzetten van faillissementen om goedkoop reorganisaties uit te voeren.

Bij een faillissement hoeft een bedrijf geen dure sociale plannen af te spreken met vakbonden, maar ontslaat een curator het personeel, dat vervolgens is aangewezen op de bedrijfsvereniging en later op de bijstand. Bij een voortzetting van de activiteiten, een zogeheten 'doorstart', kan een onderneming vervolgens weer nieuwe personeel aantrekken. Het 'doorstarten' is een veel voorkomende constructie, zo meldt het rapport: in meer dan de helft van de gevallen waarin na een faillissement de activiteiten worden verkocht bestaan banden (eigendom, directie) tussen koper en gefailleerde.

Justitie heeft het onderzoek laten uitvoeren nadat onder meer het PvdA-kamerlid Vreeman en de Industriebond FNV aan de bel trokken. Zij hadden de indruk dat bedrijven op deze manier relatief veel oudere en minder gezonde werknemers op straat zouden zetten. Voor deze beschuldiging heeft het onderzoek geen aanwijzingen kunnen vinden. In het onderzoek werden 286 faillissemenstdossiers onder de loep genomen. Over het algemeen is er nauwelijks een verband tussen leeftijd van werknemers en de kans dat zij hun werk bij de nieuwe eigenaar na een 'doorstart' kunnen voortzetten.