Straatkinderen tonen het failliet van Mongolië

ULAN BATOR, 5 JULI. De vuilnisschacht van het Ulan Bator hotel is populair bij de straatkinderen van de Mongoolse hoofdstad. Hier vallen de stukken afgekloven kip, sla en brood bij bakken naar beneden. Tussen het graaien naar etensresten door poetsen sommige kinderen de schoenen van hotelgasten. Anderen verkopen kranten of wassen auto's.

In de lege kleurloze straten van Ulan Bator vallen de vele vervuilde, ouderloze kinderen op. De straatkinderen zijn een duidelijk zichtbaar symptoom van de zieke samenleving. Zo'n 1.500 kinderen in het 2,6 miljoen inwoners tellende Mongolië leven op dit moment permanent op straat. Specialisten hebben berekend dat zij de voorhoede vormen van een veel grotere groep van op zijn minst 30.000 kinderen die in absolute armoede verkeren.

Nog maar zes jaar geleden was er geen sprake van straatkinderen. Bovendien was armoede zo goed als afwezig. Maar met het verdwijnen van de Sovjet-Unie kwam na zeventig jaar plotseling een einde aan de socialistische traditie, en daarmee aan de ideologisch geïnspireerde voorkeurspolitiek ten aanzien van vrouwen en kinderen.

Mongolië, dat tot 1991 vrijwel volledig afhankelijk was van financiële steun uit Moskou, zakte van de ene op de andere dag weg in een moeras van economische malaise. Inmiddels leeft een kwart van de Mongolen onder de armoedegrens van minder dan 15 gulden per maand.

De journalist Badamhand, die zich het lot van de straatkinderen heeft aangetrokken, spreekt van een structurele tragedie. “De Mongoolse regering is niet in staat sociale problemen van een dergelijke omvang op te lossen omdat het geen traditie heeft in het waarnemen en behandelen van sociale problematiek. Armoede en werkloosheid kwamen immers niet of nauwelijks voor in de communistische Volksrepubliek Mongolië.”

Na de invoering van de democratie in 1990 is Mongolië economisch in het slop geraakt. Badamhand vindt het echter onterecht dat democratie door de Mongoolse bevolking wordt geassocieerd met de economische crisis. “Er is immers niet echt sprake van een evenwichtige democratie.”

Bij de verkiezingen in 1992 ging 93 procent van de beschikbare parlementszetels naar de communistische Revolutionaire Partij. “Dat is de partij die ook vóór de opheffing van de één-partijstaat de dienst uitmaakte.”

Jargalsaikhan, die als lerares werkzaam is bij het Centrum voor dakloze kinderen in Ulan Bator, wil een discussie over de schuldvraag voor de sociale problemen in Mongolië liever vermijden. “Toen de economie nog gecentraliseerd was, bestond er meer gelijkheid onder de bevolking. Maar de huidige situatie was onafwendbaar - de teloorgang van de Sovjet-Unie was een historisch proces.”

Pagina 4: Centrum dakloze kinderen puilt uit

Het Centrum voor dakloze kinderen, dat onderdak biedt aan 170 straatkinderen, wil dat de kinderen zo snel mogelijk zelfstandig gemaakt moeten worden. Om die reden leren de kinderen timmeren en naaien, zodat zij in staat zijn tot eenvoudig werk. Maar volgens Jargalsaikhan kan het Centrum de drommen behoeftige kinderen die wekelijks door de politie worden afgeleverd lang niet opvangen. “We zitten al te vol”, vertelt Jargalsaikhan in haar sobere kamer in het centrum. Iedere kamer in het oude flatgebouw lijkt tot het maximum gevuld met bedden en uit alle hoeken en gaten komen nieuwsgierige kinderen tevoorschijn.

De kans dat het aantal straatkinderen zal afnemen is vrij gering, zegt John Beauclerk van de Britse organisatie voor de rechten van het kind Save the Children. Beauclerk, die al vier jaar actief is in Mongolië, zegt dat veel gezinnen op de uiterste rand van het bestaansminimum leven en dat de meeste kinderen uit deze gezinnen beter af zijn op straat. “Op die manier maken ze tenminste nog deel uit van een gemeenschap, want thuis worden ze van school gehouden. Bovendien is de kans op straat een gevulde maag bijeen te scharrelen veel groter dan thuis.”

Beauclerk wijt de sociale problematiek in Mongolië vooral aan het feit dat de Mongoolse regering te veel belang hecht aan de invoering van een vrije-markteconomie. “Markthervorming als de oplossing voor sociale problemen is een sterk overdreven concept”, aldus Beauclerk. “De straatkinderen zijn het bewijs dat het klakkeloos kopiëren van Westerse systemen geen oplossing is.” Ook het economische groeicijfer van 6,1 procent in het afgelopen jaar, de eerste keer na de invoering van de vrije-markteconomie dat sprake is van aanmerkelijke groei, zegt volgens Beauclerk vrij weinig. “In geen enkel ontwikkelingsland sijpelen de voordelen van de groei door naar de delen van de bevolking die er het meeste bij gebaat zijn. En ondanks die cijfers is in Mongolië het systeem van kinderzorg ineengestort, de kindersterfte verdubbeld en gaat één op de drie kinderen niet naar school.” Beauclerk is vooral ontsteld over dat laatste. “In 1991 kon 98 procent van de bevolking nog lezen en schijven. In tien jaar tijd is geen sprake meer van zo'n hoog percentage.”

Tserenlkham, directeur van het Centrum voor dakloze kinderen is dezelfde mening toegedaan. “Het oude zorgstelsel was zo slecht nog niet. Misschien hadden we weinig geld, maar onderwijs was gratis en de rechten van het kind werden beter gewaarborgd.” Dat alles bestond echter alleen bij de gratie van de Sovjet-Unie. Sinds de financiële hulp van die zijde is weggevallen zijn bijna alle internaten voor nomadenkinderen gesloten. Leraren worden onderbetaald of niet betaald en de meeste kleuterscholen zijn opgeheven.

Beauclerk gelooft echter dat de huidige regering van goede wil is. Zo is Mongolië één van de eerste landen geweest die het in 1991 door de Verenigde Naties geïnitieerde verdrag voor de rechten van het kind ratificeerde. “In dat opzicht is Mongolië progressief.”

Maar de journalist Badamhand vertelt van een heel ander Mongolië, dat nog altijd is doordrongen van “de negatieve aspecten” van het socialisme. Badamhand is de maker van een film over de positie van kinderen in Mongoolse gevangenissen. “Kinderen worden beschouwd als honden”, vertelt zij. “In het afgelopen jaar zijn volgens officiële mededelingen van het Mongoolse gevangeniswezen zeker 400 gevangenen overleden aan de gevolgen van ondervoeding. Kinderen zitten in dezelfde centra en worden nadat ze van de straat zijn opgepikt veel te lang vastgehouden. In de gevangenissen van heersen nog altijd dezelfde KGB-praktijken uit het verleden. In die zin is weinig veranderd. Zeventig jaar traditie kun je niet zomaar wegdenken. Mongolië is ervan doordrongen en dat zal het voorlopig nog blijven.”

    • Floris-Jan van Luyn