Spreekbeeld eerder dan beeldspraak; Dwarse symbolen van Elma van Haren

Elma van Haren: Grondstewardess. Uitg. De Harmonie, 66 blz. Prijs ƒ 29,50

Behalve dichter is Elma van Haren ook kunstschilder. In haar vierde dichtbundel, Grondstewardess, toont ze hoe die twee disciplines in beeldende taal kunnen samenvallen. Het zesde gedicht van de cyclus 'Handeling om ruimte' beschrijft een dag waarop 'geen portret geopend wil worden'.

Niet om de ruimte van groot linnen met marterhaar voor wang en wimper vraagt deze dag

maar om schetsmatigheid

om hout van de witte boom

een streng vel A4 -

(...)

hongerige vlakte

waarop ik een aquarel met inkt en

speeksel

spreekpenseelstreel met mijn tong

omdat ik eerder spreekbeeld

dan aan beeldspraak doe.

De twee laatste regels lijken een credo voor de poëzie in Grondstewardess. Van Haren spreekt de beelden naar zich toe, maakt ze zich eigen door haar omgeving nadrukkelijk te confronteren met haar 'ik'. Die egocentrische, inwaarts gerichte blik leidt soms tot 'omgekeerde' beeldspraak. Nat lang haar lijkt dan bijvoorbeeld niet op de tentakels van een kwal, maar 'Grote kwallen/ liggen langs de vloedlijn,/ met hun tentakels opzij gegooid,/ zoals iemand doet met zijn lange natte haar.'

Spreekbeeld eerder dus dan beeldspraak. Zo'n dwarse symbooltaal past bij het eigenzinnige karakter van Van Harens poëzie. Maar hoe individueel, hoe binnenwaarts de thematiek ook is, haar gedichten zijn bij uitstek buitengaats gericht. Het juryrapport van de C. Buddingh'-prijs - die haar in 1988 voor haar debuutbundel De reis naar het welkom geheten werd toegekend - vergeleek haar gedichten met 'cyclotrons, in razende beweging, zonder daarbij uit hun voegen te vliegen'.

Ook voor de poëzie in Grondstewardess is dit een gepaste typering. Van Haren verwerkt in elk van haar gedichten een grote hoeveelheid zeer ongelijksoortige elementen, maar ze beheerst de chaos waartoe dit zou kunnen leiden. Uitbundige beelden en formuleringen krijgen een tegenwicht in verstillende reflecties, die op hun beurt soms aanleiding geven tot onverhoedse excursies. Woordreeksen slaan dan op hol ('regenbooghandgebaar,/ rijstebrijgewatertand') en geen associatie is blijkbaar te gek ('Als IJsbrand bestaat,/ wordt hij door Vuursneeuw gezocht'). De toon blijft echter overheersend laconiek, en de trefzekere regelval houdt het ritme in toom.

Het gedicht 'Hitte - 1' biedt een mooi voorbeeld van Van Harens poëtische beheersing. Via wisselende stemmingen en sferen leidt ze haar lezer in krap dertig regels naar een slotbeeld van totale landerigheid. Het beeld van de gebloemde beddesprei fungeert als rode draad, maar dat verklaart allerminst waarom ik mij zo aanstekelijk voel meegenomen in dat uit het niets vallend 'groot onaangedaan vossegezicht', of in die melige overpeinzing van 'Het is heel goed mogelijk!' tot 'Het zal gebeuren, het is zo!' Is het dan toch de regelval die dit gedicht zo verleidelijk maakt?

Grondstewardess is boordevol verlokkingen. Dat zit hem vooral in de zinnelijke beeldspraak, zoals: 'en de wind buiten,/ de wind - sluwe vogel - / heeft de bladeren tot honderden tongetjes gemaakt,/ die hem onophoudelijk likken moeten.' Maar verleiding schuilt ook in de bezwerende grondtoon van veel van Van Harens gedichten. Die magische toon wordt bovendien versterkt door ingrediënten uit sprookjes en de wereld van het bijgeloof. Zo wordt een stilgevallen tuin verbeeld met pompoenen die 'zijn gestopt met groeien/ net voordat zij koetsen worden'. En de kracht van het bijgeloof wordt, in het gedicht 'Domino', een strofelang breed uitgemeten:

En als de stemmen beginnen

de papieren stemmen, die namen uitproberen

- Piet Hein Anna Sofie Maria -

hou ik goed de bloemen op mijn rok in de gaten.

Zolang ik niet genoemd word

zullen die niet in kraaien veranderen.

Er is veel mystiek in deze bundel - of beter nog: verlangen naar mystiek. Een verlangen dat treffend is samengevat in het tweeluik 'Lorelei'. Het is geen dreigende waternimf die daarin beschreven wordt, maar een vrouw die wacht op het magisch moment. 'Hoe graag zou zij meegaan met wie haar wil aanraken,/ uitstappen bij een halte, verdwijnen./ Haar mythe waar laten gebeuren.'

Bij zo'n verlangen hoort hartstocht. En ook die ontbreekt niet in Grondstewardess - zo min als de daarbij horende grootse gebaren en paradoxen. 'Voel, hoe er warmte zit in het mechanisme/ dat de ijskast koud moet houden,' schrijft Elma van Haren. Maar op haar best is ze wanneer ze in 'Glimmer' de drijfveer van haar onrust onderzoekt.

Ik keer mij naar binnen om te zien

welk verlangen

de rust in de weg zit.

Want de manier waarop mensen verlangen

is een manier waarop verlangen zich

schuilhoudt.

Het laat zich in toom houden door het lichaam

zoals je met tranen tranen kunt tegenhouden

door snel uien te gaan snijden.

In zulke regels is Elma van Haren buitenstaander en betrokkene tegelijk. Of, zoals het een grondstewardess betaamt: bevlogen en toch aards.

Hitte - 1

Mei:

lauw strijkijzer over een gebloemde beddesprei.

Neem nu de maat van je voetzolen

die kleine lichamelijke plek, waarop je gebouwd bent

en voel hoe los van de grond...

longen grijpen in de lucht

je handen moeten gevuld om je gewicht te beseffen

als je naakt over het satijn van het bed schuift

denkend aan een groot onaangedaan vossegezicht

slechts één keer aangeraakt

zijn lynxse ogen -

Met kracht stroomt het bloed

terug naar je voeten.

Duikelaar

altijd kom je weer recht!

Hoe dan plotseling

'Het is heel goed mogelijk!' afspringt van

'Zou het kunnen?' en

hoe 'Het kan!'

begint te bloemen

vanaf de beddesprei en die aarzelende knop

door zachte meiwind bestreken, uitgroeit tot de kelk:

'Het zal gebeuren, het is zo!'

en wachtend op dat moment, dat moment alleen

niets anders doen dan tevreden kijken

hoe geduldig de planten naar het zonlicht buigen

hoe beloftevol de was te drogen hangt.

UIT: ELMA VAN HAREN, GRONDSTEWARDESS

    • Arie van den Berg