Pielepoot met bakkebaard

Een zelden opgemerkt voordeel van vernieuwing is dat ze soms het oude tot nieuw leven wekt. Wie zou bijvoorbeeld zonder vernieuwde spelling ooit nog eens gedacht hebben aan de havezate, eenzaam verloren in het land? Of de bietebauw, droevig spokend in de kinderkamer? Zo ook het kakenestje, de pezewever, de pielepoot, het ravelijn, de schallebijter, de sporkeboom en de wallebak.

Deze en tientallen andere, al jaren in vergetelheid zwervende woorden zijn weer tot leven gewekt door het nieuwe Spellingsbesluit - als uitzondering. Ze zijn behoedzaam bijgezet in het Reservaat van de Vermeende en Versteende Uitdrukkingen - een oase van rust in de strijd om de samenvoegings-n.

Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen is zo vriendelijk geweest een lijst rond te sturen met deze n-vrijgestelde woorden. De reeks leest als een Oudhollands tafereeltje: vol bakkebaarden, ukkepukken, rozemarijn, kruizemunt, ledematen, wielewalen, pikketanissen, rederijkers, kazematten, ruggespraak en marsepein. Allemaal n-loos gebleven, wegens 'verstening' of omdat het - zo heeft hogerhand beslist - helemaal geen samenstellingen zijn. Daarom wandelt ook de hagedis er vrijmoedig rond, jaloers nagekeken door zijn nimmer tot leven gewekte alter ego, de hagendis.

Sommige bewoners van dit versteende paradijs zijn goede bekenden, nog volop in het leven staand. Daar is de bruidegom, de robbedoes en de bullebak. Evenals de dageraad, de hartelust, de apekool en de elleboog. Zo ook de heremiet, de bonnefooi, de klerelijer, het hunebed.

Maar de gelukkigste bewoners zijn de aan de vergetelheid ontrukten. Vrijwel alle duiden ze schimmige en marginale verschijnselen aan - geen wonder dat ze vergeten waren. De bietebauw is mijn lieveling: het is een kinderspook, een nachtmerrie. Nooit van gehoord, maar ik herken hem meteen. Ook de pielepoot valt, na opzoeken in het woordenboek, direct op zijn mentale plaats: ooievaar of homoseksueel. Net als de pezewever: een kniesoor, een onbeduidend kereltje.

En wat is het wiggebeen, dat door commissie-genade de samenstellings-n maar net ontsprongen is? Volgens Van Dale hebben we hier te maken met het “been achter de neusholte (os sphenoidale) dat als een wig tussen de schedelbeenderen geplaatst is en volgens de Ouden enige overeenkomst met een wesp vertoont, zodat men daaraan een lichaam en vleugels onderscheidt”. En dat het kakenestje in onze gemechaniseerde en gedenatureerde cultuur taalkundig ernstig is vervaagd, mag ook geen wonder heten. Het duidt het laatstuitkomende ei van een broedsel aan, de benjamin van het kippenhok.

Mogen al deze woorden profiteren van de fanatieke haat die sommigen tegen de nieuwe spellingsvoorschriften koesteren. Want door uit dit reservaat te putten kan de nieuwe-groene-boekje-hater in correct en vernieuwd gespelde teksten toch zijn gevoelen laten merken. Wie spreekt van zinnebeeldig in plaats van symbolisch, biedt stil verzet. Net als de pedagoog die schrijft over het effect van bietebauwen op schoolprestaties en de parlementaire journalist die het nieuwste kakenestje van het kabinet beschrijft. Waarom niet naast de diender de koddebeier weer alle ruimte gegeven in justitie-teksten? Het debat over het pielepoot-huwelijk kan er zelfs door worden verrijkt. Want zulke pezewezers en wallebakken zijn de lezers van de Gay-krant niet. Dat weten premier Kok en stedehouder-premier Dijkstal ook wel. En anders hebben ze er geen sikkepit van begrepen.