Opgenomen in het Al

De gedichten van Johan Andreas dèr Mouw mogen niet sterven. Kees Fens (in de Volkskrant) posteert zich soms aan het ziekbed van de literatuur, met geleerde zorg, beluistert de hartslag van de patiënt, opent diens ogen, schudt droevig het hoofd. Het oeuvre van Bertus Aafjes is dood, 'Het uur U' van M. Nijhoff ligt er slecht bij.

Laatst sprak Kees Fens de vrees uit ooit het overlijdensbericht te moeten publiceren van Dèr Mouws poëzie. Het zou hem aan het hart gaan. Mij ook. Juist die poëzie heeft voor mij een paar keer in mijn leven onvergetelijk veel betekend. Ik wil dat uitleggen.

Veertien of vijftien was ik toen ik Brahman las, de twee dikke delen waaraan Dèr Mouw werkte tot op de dag van zijn dood, 8 juni 1919. Ik werd vooral getroffen door een reeks sonnetten met jeugdherinneringen. De laatste twee terzinen ervan, de openbaring van somber levensinzicht, werden een openbaring voor mij die in jeugdmelancholie wegdroomde. De dichter vertelt over een avond dat hij lang buiten is, naar zwaluwen en naar vleermuizen kijkt en naar een grote ster als een stuiter van mooi lichtblauw glas. Hij eet een avondboterham, kust goedenacht, gaat naar bed, ziet dromend de zwaluw, de vleermuis, de knikker:

En plots'ling weet hij, dat hij zelf dat was.

't Lijkt gist'ren. En hij denkt aan wat hij las

Hoe iemand grijs werd in een enk'le dag.

En plots'ling weet hij alles: God! Hij ziet

Zijn leven als een eind'loos lang verdriet.

En slaat de tafel met één harde slag.

Hier was, dacht ik, mijn levensgevoel uitgedrukt, veel zuiverder dan bijvoorbeeld bij Bloem, die ik somber genoeg vond maar met wie ik mij zo jong moeilijk kon vereenzelvigen.

Ik kwam in 1943 als spoorwegarbeider in Heidelberg terecht en was bang tijdens de bombardementen op het emplacement. Wanneer de Engelse vliegtuigen aankwamen moesten we het spoor verlaten en plat op onze buik op de grond gaan liggen. Ik bracht dat niet op, hurkte bij een dijk of in een greppel en prevelde gedichten. Het meest troostende, het meest geruststellende was het slot van Dèr Mouws lange gedicht dat begint 'Toen 'k wist, dat voortaan 't mooiste van mijn leven'.

Hij vertelt hoe hij naar het dorp gaat waar zijn gestorven geliefde kind is geweest, en in de bast van de oude beuk op het schoolplein de naam zoekt die zij erin heeft gesneden. Er staan prachtige strofen in dit gedicht:

Weet iemand, hoe een reuk kan zijn getrokken

Diep in het denken, onvernietigbaar?

Ik rook weer de metaalgeur van haar haar

Als kuste ik glad de roodglanzende lokken.

Na de beschrijving van de pelgrimstocht stijgt het gedicht bijna jubelend naar de mystieke troost die de wijsgerige inhoud is van Dèr Mouws poëzie. Aan het eind van een rusteloos geleerdenleven, tegen zijn vijftigste, had hij tot zijn eigen verrassing zijn levensvervulling gevonden. Het Ik en de Al-Ziel (het Brahman) voelde hij als één. Het slot van dat innige, hartstochtelijke gedicht over de dode geliefde gaat over de verzoening met haar dood, de glorie van haar opgenomen zijn in het Al, in Brahman. Ik zei de verzen op, gehurkt, als de vliegtuigen gierend, schietend naar de spoorrails doken:

Zo wil ik dan in de nevel van bewustheid

Staan als een bergtop staat voor zonsopgang:

'k Zal, tot ik sterf, zijn als een orgelzang

Een largo maëstoso van gerustheid.

Er is gezegd, dat 'vreesloos Brahman' is;

Als zij ben 'k Brahman; niets kan mij doen vrezen.

Ja: in zijn Zelfontvouwing viert mijn wezen

Het eeuwig feest van haar herrijzenis.

Vreemd om terug te denken aan de vuile bange jongen die geen geliefde te betreuren had en waarschijnlijk alleen bij beschietingen als een largo maëstoso van gerustheid wilde zijn.

Aan het eind van de jaren vijftig reisde ik naar Griekenland, door de Peloponnesus, nam in Nauplion een bus en stond zonder veel voorbereiding, in grote hitte, bij de sombere restanten van het sombere paleis van Mykene. Hier was Agamemnon na de vernietiging van Troje zegevierend teruggekeerd, om er door zijn vrouw Klytaim- nestra te worden geslacht. Hier had hun zoon Orestes zijn moeder en haar minnaar vermoord.

Ik dacht aan Aischylos en aan de wachter die de Oresteia opent met zijn beroemde monoloog. Op de plek waar ik stond had hij jaar in jaar uit 'als een hond gekromd' gelegen, uitkijkend zoals ik over het norse land Argos en heel in de verte, een blauwe streep, de zee.

Ik dacht aan Dèr Mouw en aan zijn grandioze verbeelding van de tragedie in zijn lange gedicht 'Sleetocht'.

Met zijn geliefde maakt hij een sleetocht in Zwitserland en zij vraagt hem of hij over Orestes wil vertellen. Hij begint, in het geweldige Alpenlandschap, trouw aan het verhaal zoals het door Aischylos in drie tragedies is gestandaardiseerd. Hij brengt nuances aan. Zijn bewondering richt zich vooral op Klytaimnestra, de moeder die haar kind Iphigeneia geofferd zag, de vrouw met de 'alt van Lady Macbeth', de 'purp'ren Vlam', trots, tragisch, heroïsch. In de verzen trilt immense eerbied voor de 'pracht'ge Klutaimnêstra' en hoezeer hij deze mensen en hun noodlot beklaagt, wat hem het diepst schijnt te vervullen is verheerlijkende ontroering.

Ik had het gedicht niet bij me, de paar eenzame uren in de onverbiddelijke ruïne. Ik kende het voldoende. Het dreunde, orgelde in me terwijl ik om mij heen keek. Ik duizelde van hitte, herinnering, fantasie, uitzicht, inzicht. Een zéér verheven dag.