Minimum uurloon voor werklozen

Het zijn niet alleen de transnationale ondernemingen Akzo Nobel, Philips en Unilever die arbeidsintensieve produktie concentreren in Centraal- en Oost-Europa. Ook middelgrote en kleine metaal- en textielbedrijven hebben de weg naar het oosten gevonden. Metaalbedrijf Tevema in Beek en Donk bij voorbeeld start binnenkort een Pools loonwerkersbedrijf op met vijftig werknemers voor de assemblage van technologisch hoogwaardige metaalprodukten.

Verwacht wordt dat er over een jaar evenveel mensen werken als nu in Nederland: honderd. De netto lonen, zo rekenen ze bij Tevema voor, bedragen in Polen 400 zloty per maand, dat is zo'n 260 gulden. Daar komt nog 80 procent bovenop aan sociale lasten, ziektekosten en belastingen, plus een 'aanwezigheidspremie' van 200 zloty. De totale loonkosten komen daarmee uit op 920 zloty, ofwel ongeveer 600 Nederlandse guldens per maand. Aangezien de Polen daarvoor 178 uur werken, komt dat neer op 3,40 gulden per uur.

Omdat de Nederlanders meer kosten, korter werken (160 uur per maand) en meer vakantie hebben, bedragen de loonkosten hier het tienvoudige: ruim 34 gulden per uur. De produktiviteit van de Poolse werknemers ligt hoger dan die van de uit de textielindustrie voortkomende Turkse werknemers in Brabant. Dat de totale produktiviteit in Nederland toch nog hoger is komt door de gebruikte machines. Door hele machinestraten van Nederland naar Polen over te hevelen vervalt dit voordeel voor produktie in Nederland. Ook van de veel geprezen distributiefunctie van Nederland (Nederland Distributieland) blijft weinig over. Tevema richt in Polen een eigen transportbedrijf op, dat met Poolse chauffeurs de duizend kilometers van en naar Kudowa nabij de Tsjechische grens overbrugt.

Behalve verplaatsing van produktiecapaciteit is er nog een andere trend in de industrie waarneembaar: die van concentratie van produktiecapaciteit, teneinde schaalvoordelen te behalen. Door heel Europa vanuit één centraal gelegen fabriek te voorzien van wasmiddelen, ijs, verf, vezels of gloeilampen worden de grootst mogelijke schaalvoordelen behaald en kunnen produktieprocessen vergaand worden geautomatiseerd. Ondernemingsbeslissingen over samenvoeging van produktie spelen zich af op supranationaal niveau. Op het Oranjegevoel binnen de raden van bestuur van voormalige Nederlandse bedrijven hoeft de overheid niet al te vast te rekenen. Nederlanders vertegenwoordigen binnen de besturen van transnationale ondernemingen steevast een minderheid, of zijn er (zoals binnenkort bij NedCar) uit verdwenen. Nationale regeringen kunnen zich alleen maar tegen de concentratie wapenen door te zorgen voor optimale vestigingsvoorwaarden (goede infrastructuur, vriendelijke fiscale bejegening, gematigde loonkosten).

Beide trends, verplaatsing en concentratie van produktiecapaciteit, hebben hetzelfde effect: met name laagopgeleide werknemers worden geloosd en toegevoegd aan het leger van (langdurig) werklozen. Het zwaarder belasten van ondernemingen die werkloosheid veroorzaken vanuit het principe 'de vervuiler betaalt' (een opvatting die vooral in PvdA-kring populair is) zal contraproduktief werken en juist het vertrek van ondernemingen uit Nederland bevorderen. Ook het dwingen van ondernemers om lage loonschalen te introduceren en daar mensen voor aan te nemen zal niet werken. Ook dat druist in tegen de natuurlijke gang van zaken.

Door louter te vertrouwen op de dienstensector als opvangmechanisme voor overbodig geworden industriële werknemers, zal Nederland geen situatie van volledige werkgelegenheid bereiken. Ook in de dienstensector wordt immers gerationaliseerd. Bij Albert Heijn wegen klanten tegenwoordig zelf hun groenten, bij McDonald's staan ze in de rij om hamburgers te halen, verzekeringen worden zonder tussenpersoon afgesloten en geld komt uit de muur. Dat is nog maar het begin van een produktiviteitsrevolutie in de dienstensector, die nog veel méér laagwaardige arbeid overbodig zal maken. Ook de in Nederland nog wat achterblijvende persoonlijke dienstverlening (klusjes, tuinonderhoud, schoonmaken van huizen) biedt onvoldoende soelaas. Zeker als die tegen het geldende minimumloon (2203,50 gulden bruto per maand voor volwassenen met een volledig dienstverband) dient te worden gehonoreerd.

Het minimumloon heeft hetzelfde effect als een minimumprijs voor tomaten. Als op de veiling meer tomaten worden aangevoerd dan er tegen de minimale prijs worden afgenomen moet het restant worden doorgedraaid. Iets soortgelijks gebeurt met arbeid. Door het wettelijk minimumloon om te vormen van de huidige minimale vergoeding per maand, week of dag tot een minimale uurvergoeding van zeg bruto tien gulden (70 procent van het huidige minimale weekloon voor werknemers met een veertigurige werkweek) zal het aannemen van (langdurig) werklozen voor een paar uur per week of per dag worden gestimuleerd. Blijven deze parttime werklozen daarmee onder de armoedegrens, dan moeten ze zich voor aanvulling maar vervoegen bij de sociale dienst. Die sociale dienst, het arbeidsbureau of een daaraan gelieerd sociaal uitzendbureau, zou ook kunnen bemiddelen bij het zoeken naar passende baantjes.

Een minimum uurloon is rechtvaardiger dan het huidige minimumloon dat zowel geldt voor werknemers met een 36-urige, 40-urige als 48-urige werkweek. En door het oorspronkelijk voor alleenverdieners bedoelde minimumloon te individualiseren tot 70 procent van het huidige bedrag kan de richtprijs voor arbeid worden gedrukt en hoeft laag gekwalificeerde arbeid minder te worden doorgedraaid.