'Ik ga minder autoritair met macht om dan veel mannen'

Niemand hoeft bij haar aan te komen met zeurverhalen over de fiscus. “Ik maak de wet niet, dus klagen heeft geen zin”, stelt Jenny Thunnissen, directeur Planning, Financiën en Control van de Belastingdienst. Aan vooroordelen stoort ze zich niet. Soms heeft ze het wel eens moeilijk met haar werk. “Je ziet letterlijk hoe groot de inkomensverschillen zijn.”

Ze is dan ook “niet voor niets” actief in de PvdA. “Nee, ik heb geen ambities om de politiek in te gaan. Daar moet je een bepaald soort handigheid voor hebben. Die handigheid heb ik niet en wil ik ook niet hebben.” Het vijfde deel in een serie interviews met vrouwen in financiën.

Dat vrouwen ophouden met werken als ze kinderen krijgen, begrijpt ze vaak niet. “Zo zonde van je opleiding. Hoewel je eigen keuzes wel moet respecteren.” Zelf heeft ze, toen haar kinderen klein waren, een paar jaar halve dagen gewerkt, net als haar echtgenoot. “Daarna hebben we allebei vier dagen gewerkt en nu werken we weer fulltime. Daar hebben we nooit moeizame discussies over gehad. We vonden het niet meer dan vanzelfsprekend dat als ik deeltijd ging werken, hij dat ook zou doen.”

Als directeur Planning, Financiën en Control van de Belastingdienst heeft Jenny Thunnissen (44) alle functies op haar directie, waar zo'n honderd mensen werken, opengesteld voor parttimers. “Ook die functies waarvan iedereen zei 'daar kan het helemaal niet'. Het kan wèl. Soms is het organisatorisch lastig,je moet veel afspraken maken, veel bellen, veel briefjes achterlaten. Mensen denken te vaak dat de boel alleen blijft draaien als juist zij altijd aanspreekbaar zijn. Maar heel veel mensen kunnen wat een ander kan.” Het percentage parttimers op haar directie is vooralsnog laag: 10 procent en veelal vrouw. “Vergeleken met andere ministeries is dat inderdaad niet veel, maar binnen Financiën is het een heel behoorlijke score.”

Ze houdt zich naar eigen zeggen niet bewust of actief bezig met emancipatie. “Af en toe lees ik Opzij, maar ik heb geen drang om ten strijde te trekken voor het Breder Algemeen Belang. Ik zoek het meer in mijn eigen omgeving. Als ik weet dat een medewerker vader wordt, vraag ik wanneer ik zijn aanvraag voor deeltijd-werk tegemoet kan zien. Ze kijken dan even raar op, maar meestal gaan ze het thuis wel bespreken.” Haar overtuiging: “Je moet aan die mánnen werken, niet aan vrouwen. Tegen vrouwen moet je alleen maar zeggen dat ze méér kunnen; die zijn geneigd hun licht onder de korenmaat te steken. Ze zijn vaak heel tevreden met hun functie. Als zich een kans voordoet om hogerop te komen, is hun reactie meestal: 'kan ik dat dan wel?' Ik stimuleer ze om te solliciteren, om minder bescheiden te zijn. Welke kwaliteiten een vrouw moet hebben om hogerop te komen? Dezelfde als een man.”

Ze bespeurt wel stijlverschillen tussen vrouwelijke en mannelijke managers. “Ik ga minder autoritair met macht om dan veel mannen. Zo van 'ik heb altijd gelijk'. Al betrap ik mezelf wel eens op die neiging, hoor. Dan denk ik: ik zit niet voor niets op deze plek, ik zal dus wel gelijk hebben. Maar dat kun je natuurlijk wel op een 'softe' manier uitstralen.” Ze vindt zichzelf vooral 'heel duidelijk'. “Zoals mijn kinderen zeggen: we twijfelen nooit aan je bedoelingen.”

De combinatie werk en gezin is voor Thunnissen geen probleem. Haar werkdag begint om half tien (“ik kan moeilijk uit mijn bed komen” en “de kinderen zijn groot genoeg om zichzelf te redden”) en pas om half acht 's avonds verlaat ze het ministerie aan het Korte Voorhout (“niet omdat ik altijd zoveel werk heb, maar omdat ik dan ook geen last meer heb van files”). Het huishouden wordt voor een belangrijk deel gerund door haar ouders. “Die eten met de kinderen en brengen ze naar sport en muziekles. Ze wilden zelf graag oppassen toen mijn man en ik weer vijf dagen gingen werken. Mijn moeder heeft zelfs haar baan opgezegd omdat ze de verzorging van haar kleinkinderen leuker vond dan haar toenmalige werk. Of ik het vervelend vind dat de kinderen voor een belangrijk deel door anderen worden opgevoed? Absoluut niet! Ten eerste hebben we allebei parttime gewerkt toen de kinderen klein waren. Verder weten kinderen dondersgoed het verschil tussen ouders, grootouders, oppassen en juffen.”

Jenny Thunnissen studeerde civiel recht in Leiden. “Niet omdat rechten een passie was, daar was ik toen nog veel te jong voor, maar omdat ik niet goed wist wat ik wilde. Ik besloot iets te gaan doen 'waar je veel mee kunt'. Na haar doctoraal wilde het solliciteren niet echt vlotten. “Ik heb van alles geprobeerd, verzekeringsmaatschappijen, banken, de rechtbank, overal waar ze civiel juristen nodig zouden kunnen hebben. Maar overal vonden ze me te jong.” Uiteindelijk werd ze aangenomen bij de Belastingdienst en volgde ze op kosten van het ministerie van Financiën een postdoctorale studie fiscaal recht. “Dat lijkt leuk, maar in plaats van te werken zit je wéér in de collegebanken. Ik was blij toen die twee jaar voorbij waren.”

In 1977 kon ze eindelijk aan de slag: als belastinginspecteur. “Raar aspect aan die functie vond ik dat je een blik werpt in het privé-leven van wildvreemde mensen. Daar moest ik even aan wennen. Je ziet heel treurige situaties langskomen, terwijl je tegelijkertijd ziet hoe goed veel mensen het hebben. Je ziet letterlijk hoe groot de inkomensverschillen in Nederland zijn. Ik had het daar wel eens moeilijk mee.”

Ze stemt “niet voor niets” PvdA, legt ze uit. “Al zolang ik mag stemmen, stem ik op de PvdA. Het begrip solidariteit, de zorg voor elkaar heeft me altijd erg aangesproken. Hoe belastingen en mijn PvdA-lidmaatschap zich tot elkaar verhouden? Nooit over nagedacht. Maar je zou belastingen kunnen zien als een herverdelingsinstrument. Maar beschouw dat alsjeblieft niet als een weloverwogen statement.”

Al ruim tien jaar is Thunnissen afdelingsvoorzitter van de PvdA, eerst in haar vorige, nu in haar huidige woonplaats. “Nee, ik heb beslist geen ambities om de politiek in te gaan, daar ben ik veel te direct voor. Politicus zijn lijkt me ook niet leuk, daar moet je een bepaald soort handigheid voor hebben. Die handigheid heb ik niet en wil ik ook niet hebben. Ik ben bestuurder en dat is iets anders. Besturen is lange-termijndenken. Politicus zijn is meer van 'hoe denkt de kiezer, wat doet de oppositie, wat vindt de coalitie, hoe red ik me hier uit'. Je woorden worden op een goudschaaltje gewogen. Ik denk niet dat ik dan altijd even verstandig zou reageren.”

Als directeur Planning, Financiën en Control, een van de zeven directies binnen het Directoraat-Generaal der Belastingen, bestiert ze een breed terrein:het automatiseringsbeleid, onderzoek, interne zaken, het communicatiebeleid, het strategisch beleid van de dienst, en planning en control (“kort gezegd plannen maken voor de hele belastingdienst en toezicht houden op de uitvoering ervan”). Tevens is ze verantwoordelijk voor de begroting van de Belastingdienst. “Het is een beleidsdirectie, zoals dat in ambtenarenland heet.” In haar bijna 20-jarige carrière binnen de directie heeft ze de meeste afdelingen als medewerkster van nabij gezien. “Sommige heb ik zelf mede opgericht. Als je erin bent opgegroeid, is mijn portefeuille niet zo complex als-ie lijkt. Alleen in de automatisering heb ik me echt moeten verdiepen, dat kende ik niet.”

Als directeur Planning, Financiën en Control heeft ze wel eens last van een sandwich-gevoel, zoals ze het zelf omschrijft. “Een paar keer per week overleg ik met de staatssecretaris over de uitvoerbaarheid van wetsvoorstellen. Want als hij politiek iets wil, wil dat nog niet zeggen dat het voor de Belastingdienst ook uitvoerbaar is. Het komt regelmatig voor dat een voorstel te duur of te complex is of dat controle niet gemakkelijk is. Ik zit precies tussen die twee vuren in.” Tot de minder leuke momenten behoren ook de bij tijd en wijle tegenvallende belastingopbrengsten. “Dan krijgt de minister pijn in zijn buik, komt de Kamer soms in het geweer. Van mijn directie wordt op zo'n moment een verklaring verwacht. Nee, dat is geen feest.”

Dat ze een weinig populair beroep heeft, dat nogal eens commentaar oproept bij buitenstaanders, deert haar niet. “Laatst zei ik tegen mijn nieuwe tandarts dat het me zo vreselijk lijkt om tandarts te zijn. Toen hij vroeg wat ik deed, zei hij: 'o gelukkig, het kan dus altijd erger'.” Vrienden en kennissen hoeven bij haar niet aan te komen met zeurverhalen over de fiscus. “Ik maak de wet niet, dus klagen heeft geen zin.”

Belastingen zijn absoluut niet saai, betoogt ze. “Je kunt tegen een omvangrijke fraude aanlopen, anderzijds kun je ook genieten van een goede aangifte.” De charme van de Belastingdienst, volgens Thunnissen: werken aan een produkt waar niemand echt op zit te wachten. “Je moet veel meer je best doen dan wanneer je ijsjes verkoopt. Je moet zorgen dat de burger zonder mopperen die aangifte invult en nog correct ook.” Zelf moppert ze ook achter haar aangifte, bekent ze. “Het is zo'n gedoe om al die papieren bij elkaar te zoeken.”

Haar streven: de burger laten denken dat belastingen weliswaar geen pretje zijn, maar dat de Belastingdienst een prima organisatie is. “Kennelijk slagen we daar steeds beter in, want de populariteit van de Belastingdienst vertoont de laatste jaren een stijgende lijn. Dat meten we intensief via een enquête over de service van de fiscus die we elk jaar houden onder honderden belastingplichtigen.”

Haar functie brengt wel “een lichte drang tot corrigeren” met zich mee. “Aan zwart werken zal ik me niet schuldig maken en als ik hoor dat vrienden of kennissen het doen of laten doen, probeer ik altijd uit te leggen dat het niet zo handig is voor de maatschappij. Eigenlijk heeft dat niets met mijn werk te maken, maar met het feit dat we wetten en regels hebben in dit land. In een democratie maak je samen afspraken en daar houd je je aan.”

Van stress heeft ze geen last. “Als je wilt, kun je in deze baan ontzettend veel stress opdoen. Maar van nature ben ik nogal lui en gemakzuchtig. Ik zal nooit wakker liggen van die hele Belastingdienst. Ik zou bijvoorbeeld reuze opgewonden kunnen raken over mijn knellende positie tussen de Belastingdienst en de staatssecretaris. Dat doe ik dus niet. Die laconieke houding heb ik mezelf aangeleerd na mijn eerste zwangerschapsverlof. Toen ik na drie maanden terugkwam, lag 99 procent van het werk dat ik bij vertrek had achtergelaten er nog steeds. Veel dingen kunnen morgen ook, heb ik toen geleerd. Dat was heel ontnuchterend.”

    • Friederike de Raat