Hunkeren naar lyceummeisjes

Wie is toch deze gefolterde ziel die even authentiek als ostentatief worstelt met het leven, de liefde, de drank, het schrijven en die - wat meer is - zo dapper met alle vier doorgaat? “Wie is Wiener? De eerste drie letters van zijn naam kaatsen de vraag al terug. Het antwoord moet worden gezocht in zijn werk.” Rubriek over boeken die ten onreche in de ramsj zijn geraakt.

L.H. Wiener: Wegens mensenkennis gesloten (1988, Uitg. Bert Bakker, 113 blz.) en De langste adem (1993, Uitg. Bert Bakker, 116 blz.). Beide boeken zijn verkrijgbaar bij Modern Antiquariaat Van Gennep, Amsterdam. Prijs ƒ 7,95 respectievelijk 6,95.

De aanschaf van een verhalenbundel in de ramsj valt natuurlijk ook te billijken als de verhalen niet stuk voor stuk juweeltjes blijken. Maar het boek, zijn eenheid trouw, heeft intussen zijn kans schoon gezien en zich van kaft tot kaft de schaduw uitgesmokkeld. Ons ogenblik van zwakte is zijn moment van kracht. Wij hebben het nakijken en kunnen niet anders dan ons overgeven aan het vermoeden dat de vanzelfsprekendheid waarmee de manoeuvre zich voltrok er tevens de rechtvaardiging van is.

In het geval van Lodewijk Henri Wieners Wegens mensenkennis gesloten (1988) is die rechtvaardiging des te paradoxaler, omdat alles erop lijkt te wijzen dat de schrijver met het vele leed dat hij van zich af dan wel naar zich toe schrijft eerder duisternis en vergetelheid zoekt dan licht en erkenning.

Een foto van de auteur ontbreekt op het omslag. 'Niet zeer bekend bij het grote publiek', meldt de flaptekst droogjes. Toch werkt de in 1945 te Amsterdam geboren schrijver al dertig jaar aan een sterk autobiografisch getint oeuvre, rijk aan onheilszwangere titels als Zwarte Vrijdag (1967), Duivels jagen (1968), Misantropie voor gevorderden (1982), Naamloze meisjes (1984), Misantropenjaren (een verzameling van vijf verhalenbundels, 1990), en De langste adem (1993).

Wiener zag zijn lommerrijke loopbaan opgevrolijkt door enkele bonte schermutselingen. Zijn debuut Seizoenarbeid (1967) werd onmiddellijk bekroond met een proces, omdat een heethoofd meende zich in één van de verhalen te herkennen, en de auteur zelf trok in 1980 publiekelijk van leer tegen een criticus die zijn bundel Bomen die te mooi zijn moeten worden omgezaagd had neergesabeld. Dit alles neemt ons extra voor hem in.

Van het wapengekletter weet ik het fijne niet en ook de genoemde boeken zijn mij onbekend. Maar twee liggen er voor mij. Eén ervan is dat wonderlijke werkje Wegens mensenkennis gesloten, dat acht verhalen bevat. Het lezen van deze schetsen, die goeddeels het midden houden tussen minder gelukte essays en meer geslaagde dagboekaantekeningen, voedt mijn nieuwsgierigheid naar de auteur. Wie is toch deze gefolterde ziel die even authentiek als ostentatief worstelt met het leven, de liefde, de drank, het schrijven en die - wat meer is - zo dapper met alle vier doorgaat? Wie is Wiener? De eerste drie letters van zijn naam kaatsen de vraag al terug. Het antwoord moet toch gezocht in zijn werk.

In het titelverhaal is de zinsnede 'wegens mensenkennis gesloten' een schriftelijke mededeling van een kroegbaas uit de omgeving van de ik-figuur. Gezien de drankzucht van deze ik-figuur, kan het hele boek in overkoepelende zin worden beschouwd als mededelingen van een kroegbaas, want veel van de weemoedige overpeinzingen zijn omfloerst door drank en katers, of de bespiegelingen nu België betreffen, de Zandvoortse jeugd van de verteller, of zijn kalende kruin. Dat de ik-figuur niet veel op heeft met de medemens en evenmin met zichzelf, is onmiskenbaar. 'Gemarteld moet ik worden', verzucht hij hier, van zijn 'zondig en stuurloos leven' rept hij daar. Elders memoreert hij wat voor hem als kind de definitie van een kroeg was: 'Daar werd drank gedronken door mislukkelingen', en op weer een andere plek formuleert hij: 'Aangezien het schrijven van eigen werk bijna net zo'n akelige bezigheid is als het lezen van dat van anderen, is de verleiding om in voortdurende dronkenschap door het leven te gaan wel erg groot.'

Maar Chamfort heeft in de achttiende eeuw al treffend opgemerkt dat je weinig van mensen gehouden hebt als je op je veertigste nog geen misantroop bent. Dat Wiener - om op zijn eigen aanmoediging de ik-figuur c.q. diens alter ego maar bij de naam te noemen - te meer blijk geeft van liefde voor dieren, ligt in de lijn. Honden en katten, kippen en insekten, en bovenal vogels. Valken, sperwers, zeekoeten, alken, ara's, kauwen, uilen en nog eens uilen vliegen dwars door al zijn vertellingen. Evenals Engelse citaten overigens, want Wiener is ook leraar Engels te Haarlem.

De steevast treurige verhalen, onder andere over de hunkering naar lyceummeisjes en over de onbereikbaarheid van jeugdidolen, zijn stilistisch niet altijd parels: 'Vakantietrips zijn aan de orde van de dag - en nacht', 'Hetgeen evenwel niet wegneemt', de lezer aanspreken met 'Geachte lezer', maar her en der fonkelen edelsteentjes: 'Haar lippen vertrokken nu tot een verminkte grijns', 'De ruimte stond volgepakt met bewijsmateriaal dat hij ooit geleefd had', of: 'Je moeder begraven. Daar is alles mee gezegd'. Van striemende droefheid zijn het fragment 'Niet uitgesproken grafrede' en de twee verhalen waarmee de bundel opent, over de zelfmoord van zijn grootouders in mei 1940 en over zijn reactie op de dood van zijn moeder. Voor die gedeelten verslind je het geheel.

Wieners novelle De langste adem is veel consistenter en ligt zozeer misplaatst in de ramsj dat dit werk geen voorspraak behoeft. Vroeg of laat zal het op eigen kracht zijn Wieneriaanse Werdegang voltooien en zijn titel waarmaken.

Lijkt het lot van dat boek gewaarborgd, het lot van de auteur wekt bij de lezer toenemende bezorgdheid. Onbedwingbare bezorgdheid. In een opwelling schuif ik journalistieke mores terzijde, toets 06-8008, vraag het nummer van Wiener te Haarlem, en bel hem. Hier moet geen boek gered, maar een mens.

Ik leg een en ander uit en informeer behoedzaam hoe het met hem gaat. Hij zegt dat het goed met hem gaat. Tot voor kort woonde hij samen met een kraai, maar nu is hij getrouwd met Rebecca uit De langste adem. Een oud-leerlinge. (De hunkering naar lyceummeisjes en de onbereikbaarheid van jeugdidolen hebben elkaar dus opgeheven.) En zijn tiende boek is op komst.

Ik hang op en kan niet anders dan mij overgeven aan het vermoeden dat de vanzelfsprekendheid waarmee de manoeuvre zich voltrok er tevens de rechtvaardiging van is.