Hoger honing

In de afgelopen maand zijn een aantal prachtige foto's uit het bezit van het Instituut voor de Tropen beschikbaar gekomen in de vorm van prentbriefkaarten. Ik heb meteen de hele serie gekocht. Sommige bekijk ik telkens opnieuw; vooral een foto getiteld 'De Liefdezusters te Singkawang, Borneo, ca. 1920/ Foto anoniem/ Coll. Tropenmuseum', haal ik steeds weer tevoorschijn.

Wat je ziet is een nogal schamel voorgalerijtje, out there in dat verre Buitengewest (een kustplaatsje op N.W.Borneo), meer een afdakje eigenlijk; ervoor staan en zitten veertien van deze Liefdezusters, nonnen dus, elk van hen met een baby op de arm. Weeskinderen, vondelingen, verschoppelingen? - ik pak een vergrootglas en bekijk ze: ach, de engeltjes, allemaal meisjes, zo te zien, niet meer dan een paar maanden oud; hoe ze kijken: één, met een blik om nooit te vergeten, kijkt omhoog naar de non die haar vasthoudt. Het zijn geloof ik niet alleen maar Indonesische baby's, sommige lijken meer Chinees. Vooraan zitten twee wat grotere kindertjes, hooguit een jaar of twee, op rotan stoeltjes.

Zoals zo vaak met oude foto's blijkt ook deze bij nauwkeurige beschouwing een mysterie op te leveren: al die nonnen hebben Hollandse gezichten, behalve één - die zie je niet meteen omdat ze helemaal achteraf zit, zonder baby, alsof ze er niet bij mocht; ze draagt wel dezelfde kledij, hetzelfde zwarte habijt met de witte kap, ze is ook een non - maar een inlandse. Zo lagen de verhoudingen, zelfs in het klooster. Het is dus bij nader inzien niet alleen maar goedheid en nederigheid die je uit die foto tegemoetstralen.

Toch blijft het een foto die hevig ontroert. Die Liefdezusters met hun stuurse monden (ook op deze foto zijn daar een paar opmerkelijke voorbeelden van te zien), ze deden het toch maar: hun leven wijden aan iets dat ze belangrijker vonden dan zichzelf. Zoals altijd wanneer ik daarmee in aanraking kom word ik overvallen door een vurige hoop dat het niet vergeefs mag zijn - laat er alsjeblieft een hemel bestaan, al was het alleen maar voor die veertien, sorry, vijftien, dat ze nu daar boven mogen zijn en er krijgen wat hun hart altijd verlangd heeft, in overvloed.

Zoveel is zeker, hier beneden is daar niet veel hoop op. Niet lang geleden hoorde ik van een kennis hoe hij, als hij een bezoek bracht aan de inrichting waar zijn dement geworden moeder verpleegd werd, altijd een vrouw zag zitten, voorovergebogen op een stoel, toonloos dezelfde woorden herhalend, steeds opnieuw: 't is verschrikkelijk, 't is verschrikkelijk. Elke dag, de hele dag. Een blik in hoe de wereld in elkaar zit: wie zal de mensen verwijten dat zij religie hebben uitgevonden?

Want dat is in mijn ogen de geboorte van de religie - niet van het geloof, maar van het ritueel: dat herhalen, in vertwijfeling, van steeds dezelfde woorden, zoals Franny in Franny and Zooey van Salinger, die de hele dag loopt te bidden: 'Lord Jesus Christ, have mercy on me'. Ze heeft dat uit een boekje, over iemand die 'wants to know what it means when it says, in Thessalonians: 'pray without ceasing' ' (dat is, voor wie het interesseert, 1 Thessalonicensen 5:17, 'Bidt zonder ophouden'). Een oude monnik vertelt dat 'the one prayer acceptable to God at all times, and 'desired' by God, is the Jesus Prayer'. Bidden zonder ophouden - dat doet ze, Franny de wanhopige, door het hele boek heen, Lord Jesus Christ, have mercy on me. Ik ben totaal ongelovig, de woorden betekenen voor mij niets, maar toch houd ik het nauwelijks droog wanneer ik dat lees.

Misschien komt het doordat het niet iets vraagt maar iets uitdrukt, iets dat eigenlijk niets met een persoonlijk geloof heeft te maken. De woorden doen er niet toe, de vraag of er een God bestaat of niet komt er in feite niet aan te pas. Zoals Salinger ook zelf zegt zou de tekst evengoed 'Namu Amida Butsu' of iets anders kunnen zijn. In het Nederlands zou je het vertalen met 'heb erbarmen' (niet: heb medelijden met mij) en je zou voor hetzelfde geld inplaats van Jezus Herman Philipse of Jerôme Heldring kunnen zeggen, het doet er niets toe, het resultaat blijft toch hetzelfde (al is het goed niet uit het oog te verliezen dat het naar de vorm toch eigenlijk een aanroep tot een genadeloze dictator is).

Wat de mensen in hun doodsnood doen is ze tot op zekere hoogte niet aan te rekenen. Ik heb er alle begrip voor dat ze dan zonderlinge gedragingen vertonen en in vreemde bedenksels geloven - zolang maar niemand begint te verkondigen dat er een hogere macht bestaat die niet wil dat wij de pil gebruiken of iets dergelijks.

Dat laatste is, om het nog eens kort samen te vatten, het onaanvaardbare beginsel in het geloof; het is het beginsel dat, laten we niet aarzelen het bij zijn naam te noemen, slecht is, kwaad doet. Een frappant voorbeeld ervan kwam ik pas nog tegen in een boekbespreking over Mary Tudor, bijgenaamd Bloody Mary, die veel ketters liet verbranden: 'Als ze later geen kinderen kan krijgen of als de oogst tegenvalt, meent ze dat God straft, omdat ze de ketters te zachtzinnig heeft aangepakt'. En dus deed ze er nog een schepje bovenop.

Wat dit ook duidelijk illustreert, om hier even af te dwalen, is het religieuze karakter van het Communisme, dat op goedbeschouwd precies dezelfde manier andersdenkenden begint af te slachten wanneer de oogst mislukt (of een vijfjarenplan, of wat ook). - Dit aan het adres van de misguided imbeciles die altijd weer beginnen over de misdaden van het Communisme wanneer de onbloedigheid van Rationalisme en Verlichting ter sprake komt. Democratie, niet Communisme is de staatsvorm die uit het rationalisme voortvloeit. Het is opvallend dat alle communistische ismes (Mao, Pol Pot, Stalin, Castro...) wel één of meer van de karakteristieken vertonen die behoren tot wat je het minimumprogramma van alle monotheïstische geloven zou kunnen noemen: vrouwen zijn tweedeklaswezens, homoseksuelen moeten net als andersdenkenden eigenlijk worden doodgeslagen, geboortebeperking is een abominatie en met dieren kun je doen wat je wilt: niets is verboden (behalve seks, maar niet uit consideratie met het dier).

Revenons, over dieren gesproken, à nos moutons: het leven is een groot mysterie; maar daar volgt niets uit, er is geen zinnig woord over te zeggen en geen enkele conclusie aan te verbinden. Al die mensen op zoek naar hun eigen zaligheid, daar word je trouwens ook niet vrolijker van. Het is het meest modieuze en minst interessante aspect van de religie. Die bekeringen tot het katholicisme: als het nu nog een aanwijsbaar resultaat had, als het de mensen verbeterde, als het bijvoorbeeld Gerard Reve ervan zou weerhouden infame leugens te vertellen, dan was het nog ergens goed voor.

Wat mij in godsdienst aanspreekt is de traditie, het ritueel - het zinloze reciteren, brommen, zingen, neuriën, gezichten trekken en gebaren maken om de vertwijfeling gekooid te houden - de heilige teksten (de Statenvertaling), de muziek, de geur van hoger honing.

Vorig jaar December wijdde de BBC een serie uitzendingen aan de geschiedenis van Westminster Abbey, samengesteld door Alan Bennett. Het gedeelte dat ik ervan gezien heb bestond uit een aangrijpende monoloog van Bennett, niet alleen een groot schrijver maar ook iemand met een opmerkelijke présence op de televisie. De beelden die hij opriep van zijn jeugd en de Anglicaanse godsdienst waar hij in opgroeide waren meeslepend en melancholiek, het riep een verlangen op met het ritueel en de tradities van die zonderlinge kerk te zijn grootgebracht - vooral die opvallende tolerantie, eigenlijk meer een vorm van beleefdheid: hoffelijk, matig, onfanatiek.

Zoals Bennett over de godsdienst sprak: als het kennen van de juiste vormen en gebruiken; of hij in God geloofde kwam helemaal niet ter sprake. Iemand die ook Anglicaans is grootgebracht zei: ja, God is a sort of guest in deze kerk, iemand tegen wie beleefd gezegd wordt: 'Do come in'.

Intussen is ook de Anglicaanse kerk gemoderniseerd, de teksten zijn aangepast, het Book of Common Prayer waar Bennett mee is opgegroeid herschreven. Hij vertelde het verhaal voornamelijk om zijn verdriet uit te spreken dat het niet meer bestaat.