Heads en riffs in Kansas City; Stad van pokeren en hoeren op North Sea Jazz Festival

Voor jazzmusici was Kansas City in de jaren dertig de 'hemelse stad'. De andere jazzcentra in Amerika werden geteisterd door de drooglegging en de depressie, in Kansas City bleef het dankzij de corrupte wethouder Tom Pendergast alle dagen feest. In de film Kansas City van Robert Altman, die tijdens het North Sea Jazz Festival in première gaat, is de jazz voortdurend aanwezig.

Bennie Motens Kansas City Orchestra (1929-1932): Basie Beginnings (RCA Bluebird 9768-2-RB) Kansas City, Original Motion Picture Soundtrack (Verve 529 554-2) De film van Robert Altman wordt op 12 juli voorvertoond op het North Sea Jazz Festival in Den Haag en komt op 15 augustus in roulatie.

Zoals jazzmuzikanten elkaar vroeger bijnamen gaven als Bean, Bird, Duke en Dizzy, zo hadden ze ook namen voor de plaatsen waar ze speelden. Storyville, de vermaakwijk van New Orleans, werd aan het begin van deze eeuw 'The District' genoemd, Chicago stond te boek als 'The Windy City' en met 'The Street' werd 52nd Street in New York bedoeld, een stad die je beter 'The Apple' kon noemen als je er als jazzcat bij wilde horen.

Het veel centraler gelegen Kansas City, de vierde 'jazzstad' van Amerika, werd eenvoudig K.C. genoemd, maar ook wel 'Tom's Town' toen de jazz daar het hevigst bloeide. Dat was in de jaren 1928-'39, toen wethouder Tom Pendergast de stad bestierde. De bloei gold niet alleen de jazz zelf maar ook 'all that jazz' eromheen: van zuipen en gokken tot hoereren en vechten. 'Kansas City heeft afgezien van beruchte centra als Singapore en Port Said waarschijnlijk de grootste sin industry in de wereld', stelde procureur D.A. Milligan in 1939, toen het tijdperk Pendergast ten einde liep.

Tom Pendergast heeft de bloei ervan bevorderd, maar nieuw was de 'zonde-industrie' voor Kansas City niet. Al omstreeks de eeuwwisseling telde de stad op nog geen honderdduizend inwoners 600 zogenaamde 'saloons' met aanverwante activiteiten en daarnaast nog eens 150 geregistreerde bordelen. Dit alles had te maken met de geschiedenis van Kansas City. De stad, gelegen op een kruispunt van rivieren, was omstreeks 1860 een belangrijke havenplaats voor stoombootverkeer. Na de aanleg van de Hannibal Brug over de Missouri en de aansluiting op een groot aantal spoorwegnetten werd de stad tevens een belangrijk centrum voor de handel in vee- en vleesprodukten. In 1874 'verwerkte' het slachthuis tweeduizend koeien en vierduizend varkens per dag, een gigantische produktie gezien het inwonertal.

Naast het komen en gaan van veeboeren en scheepslui, kreeg de stad te maken met een enorme toeloop van jagers op baantjes en ander geluk. Hierdoor, en door de ligging aan de rand van het 'Wilde Westen', heerste in Kansas City het 'laatste kans-gevoel'. De laatste kans om nog even benzine te tanken, te drinken in damesgezelschap, de laatste kans op een lot uit de loterij. Als men zou besluiten verder westwaarts te gaan, dan werd het afzien en hopen op gods zegen.

Dit 'laatste kans-gevoel' was een ideale voedingsbodem voor de gokindustrie, na de handel in vlees de belangrijkste bedrijfstak. In de lokalen aan Marble Hall en Missouri Avenue kon men op alle denkbare manieren zijn geld kwijt. Met pokeren en roulette spelen, of door geld te zetten op paardenraces, honden-, hanen- en ratten-gevechten. Heel bijzonder was het spel fly-loo waarbij men kon gokken op het gedrag van doodgewone vliegen. Welke zich als eerste zou verplaatsen, in welke richting en hoe ver.

Wederdiensten

Een gokker met succes was in 1881 de 25-jarige Jim Pendergast, de leidsman en leermeester van broertje Tom. Hij won veel geld met het racepaard Climax, stopte dat in een gelijknamige saloon en bouwde van daar uit verder aan zijn succes. In 1892 werd hij tot wethouder gekozen, een positie die hij vasthield door het in praktijk brengen van een simpel idee: kiezers koop je met wederdiensten. In 1910 gaf hij de geest na zijn partijgenoten te hebben geadviseerd: 'neem Tom als wethouder, hij zal net zo goed zijn voor 'de jongens' als ik ben geweest.'

Tom, die als 18-jarige was begonnen in Jims saloon, stelde toen hij in 1938 uiteindelijk wethouder was geworden, inderdaad niet teleur. Zo was hij bijvoorbeeld heel goed voor 'de jongens' van de politie die hij meestal zelf benoemde. Advies daarbij kreeg hij van Johnny Lazia, iemand die verstand had van de misdaad omdat hij wegens een roofoverval zelf had gezeten. Zijn adviezen waren ernaar: in 1934 had minstens tien procent van de politiemensen in Kansas City een bewezen strafblad. Zij zorgden voor de 'bescherming' van de gokhuizen waarvan Tom grote bedragen aan 'belasting' inde. Daarnaast was Pendergast jr. erg succesvol als directeur van The Ready-Mixed Concrete Company die de hele stad van beton voorzag. Zonder openbare aanbesteding uiteraard en tegen door hem zelf vastgestelde prijzen - heel prettig in een razendsnel groeiende stad.

Ook voor jazzmusici was het zondige Kansas City met zijn honderden nachtclubs een ideale stad. De andere centra voor jazzmuziek werden eerst geteisterd door de drooglegging en daarna door de depressie, in Kansas City bleef het dankzij Tom Pendergast alle dagen feest. Er was werkgelegenheid zat voor de musici, van wie bandleider Bennie Moten de bekendste was, al streefde zijn opvolger Bill 'Count' Basie hem later voorbij. Ook beroemde orkesten uit Chicago en New York City, zoals die van Fletcher Henderson en Duke Ellington speelden graag in K.C. Dat de betaling meestal belabberd was - twee dollar per nacht was heel gewoon - was voor de meeste musici geen bezwaar, alles was beter dan werkeloos zijn. Nog lucratiever voor uitbaters waren de zogenaamde jam sessions, waarbij afgezien van de ingehuurde ritme-sectie alle musici gratis speelden, behoudens een borrel en misschien een tip van een lucky gambler.

In Hear me Talkin' to Ya van Nat Shapiro en Nat Hentoff, een kostelijke bundel vol swingende oral history, staan vele anekdoten over de scene in het Kansas City van die tijd. Zoals die van pianist Sammy Price over een jam session waar hij aan deelnam: 'Ik kwam voorbij om tien uur s'avonds, ging naar huis om me te wassen en om te kleden en toen ik om een uur 's nachts terugkwam waren ze nog steeds met hetzelfde liedje bezig'.

De praktijk van het spelen in dit soort losse verbanden was niet alleen goedkoop (te goedkoop vond later de muzikantenvakbond, toen ze dit soort sessions voor leden verbood), maar dwong de musici ook tot een bepaalde manier van spelen. De stukken moesten aan iedereen bekend zijn, mochten geen ingewikkelde bladmuziek vergen en dienden zich goed te lenen voor improvisatie. Dit leidde tot wat later Kansas City Style ging heten, een overal erkende vorm van swingmuziek. De basis bestond uit heads, uit het hoofd geleerde arrangementen bestaande uit een intro en een coda, een pakkend slot. De ruimte daartussen was voor de solisten, dat konden er twee zijn maar ook tien. Hoe meer solisten, hoe langer men moest wachten en van deze nood werd een deugd gemaakt door het ontwikkelen van zogenaamde riffs, ritmisch geplaatste achtergrondpartijtjes. Deze riffs, aanvankelijk spontaan gegroeid, maar later ook steeds vaker uit het hoofd geleerd, hadden ook als functie de solisten op te juinen, vooral als er iets bewezen moest worden, bijvoorbeeld wie op zijn instrument de beste was.

Legendarisch geworden is een cutting contest waarbij de beroemde saxofonist Coleman Hawkins klop kreeg van toen nog volkomen onbekende local cats onder wie Ben Webster, Herschel Evans en Lester Young. 'Hij had zelfs zijn overhemd erbij uitgetrokken' vertelde een ooggetuige over Coleman Hawkins die uiteindelijk verloor van Lester Young, waarna hij ontgoocheld de stad verliet.

Telegrafiste

Deze gebeurtenis, hoe anekdotisch ook, heeft een centrale plaats gekregen in de film Kansas City van regisseur Robert Altman. De film bevat ook verder een massa aanstekelijke muziek, prachtig vastgelegd op een Verve cd met dezelfde titel. Toch is de film, anders dan 'Round Midnight (1986) van Bertrand Tavernier en Bird (1988) van Clint Eastwood, geen 'echte' jazzfilm. Het is een love story tegen een decor van misdaad en muziek met als hoofdpersoon de desperate telegrafiste Blondie, die de echtgenote van een hoge politicus gijzelt om haar klungelcriminele vriendje Johnny uit de handen van de mob te redden. Zowel Tom Pendergast als Johnny Lazio doen ogenschijnlijk hun best voor hun zaak maar het eind is een geweldadig-romantische scène waarin Johnny en Blondie samen de dood omhelzen. Dat deze film ook jazzliefhebbers uiteindelijk meer te bieden heeft dan Bird en 'Round Midnight is te danken aan Altmans besluit om iedereen te laten doen waar hij of zij het beste in is: de acteurs in acteren en de muzikanten in het spelen van noten. Ook zijn besluit om de musici hun eigen stijl te laten (velen van hen zijn volgend weekend te horen op het Haagse North Sea Jazz Festival) pakt voortreffelijk uit. Joshua Redman doet geen poging Lester Young te imiteren, Craig Handy klinkt niet als Coleman Hawkins en de vingervlugge pianist Cyrus Chestnut zeker niet als de sobere 'pling-plong' Basie. De jazz is in de film voortdurend aanwezig, zij het vaak alleen als decor - zoals die muziek ook in werkelijkheid niet meer dan dat was voor de politieke penose van destijds. Toch was K.C. voor de jazz een heavenly city. Althans, dat zei later pianiste Mary Lou Williams en die had er vanaf haar geboorte gewoond.

Het was in ieder geval een hemelse stad voor wethouder Tom Pendergast, die het geld met bakken zag binnenkomen maar het ook weer bliksemsnel uitgaf. Alleen al in 1935 vergokte hij twee miljoen dollar op de paardenrennen. Zo'n vier jaar later was de pret voorbij. Pendergast werd aangeklaagd voor verzekeringsfraude en belastingontduiking, schuldig bevonden, en veroordeeld tot 15 maanden gevangenisstraf.

De grote schoonmaak die hierna in Kansas City begon, had voor het nachtleven grote gevolgen en dus ook voor de jazzmusici. Dat de 19-jarige Charlie Parker, het grootste aankomende talent in de stad, in 1939 naar New York verhuisde, was tekenend voor de teloorgang van de locale jazzscene. Parker zette nog wel een prachtige K.C. Blues op de plaat, maar dat gebeurde pas in 1951. Ook de meeste andere liedjes over de stad kwamen pas jaren nadat Tom Pendergast het veld had geruimd. Zoals het Kansas City van Leiber en Stoller, twee jongens die de stad nooit hadden gezien toen ze het liedje in 1952 componeerden. Peggy Lee, Little Richard en Trini Lopez bezongen K.C. en met hen vele anderen. Zelfs crooner Pat Boone, in de jaren vijftig moeders braafste jongen, schijnt de lof van Kansas City gezongen te hebben. Al dacht hij daarbij vast niet aan de gloriejaren van zondaar Tom Pendergast.

    • Frans van Leeuwen