Een vleug van smart

Bertus Aafjes publiceerde zijn 'Voetreis naar Rome' in 1946 en onmiddellijk was het gedicht een doorslaand succes. Wie het nu leest kan zich daar alleen nog maar over verbazen. “De lezers die het gedicht van Aafjes mooi vonden, zijn onbegrijpelijke wezens geworden.” Korte serie over boeken die eens een onuitwisbare indruk maakten.

Ruischend groen, ogen zwart als morellen, smeulend vuur, zachte vrouwelijkheid en vooral schoonheid, veel eeuwige schoonheid: in Een voetreis naar Rome, het lange gedicht dat Bertus Aafjes beroemd maakte, is het leven zacht als boter, zoet als fondant. Zelden zal een dichter zo krampachtig geprobeerd hebben de wereld mooi te laten zijn. En mooi werd ze ook gevonden, toen het gedicht verscheen in 1946 en nog flink wat jaren daarna, zo prachtig dat de echo ervan nog altijd doorklinkt in ons literaire geheugen.

Veel gelezen wordt Voetreis naar Rome niet meer, het gedicht is niet langer in druk, en eigenlijk zweeft alleen nog de titel en de herinnering aan zijn reputatie in onze hoofden. Dat we die herinnering desondanks blijven koesteren, moet het resultaat van een soort geestelijk afweermechanisme zijn, ons onvermogen om definitief afscheid te nemen van een boek dat wijzelf lang geleden, of tenminste onze vaders en moeders, stevig aan het hart gedrukt hebben. Literatuur slaat bruggen tussen heden en verleden, dat is een dogma waar we graag in geloven. Wie schrijft die blijft, houden leesbevorderaars ons vol overtuiging voor. Lees Voetreis naar Rome en je gelooft er niets meer van. Wie het vijftig jaar na verschijning voor het eerst openslaat, krijgt meteen last van gillende kiespijn. Zoveel mierzoete rijmelarij had je niet verwacht: '(-) ik wensch een lang vers te schrijven, / Dat men leest in het avonduur, / Om ergens mee bezig te blijven / bij het warm knapperende vuur.'

Wat het gedicht aan een lezer van nu onthult is juist een onoverbrugbare kloof. Smaakverschil doet er niet langer toe, opvattingen over leven en poëzie spelen geen rol meer. De lezers die het gedicht van Aafjes mooi vonden, zijn in één klap onbegrijpelijke wezens geworden, afkomstig uit een cultuur die alleen uiterlijk nog lijkt op de onze.

Voetreis naar Rome verhaalt van een jonge man die de wereld ontdekt. Een priesterleerling met twijfels over zijn roeping trekt er alleen op uit - het jaar is 1936 - en wandelt zuidwaarts, richting Eeuwige Stad. Hij overnacht in her- en hooibergen, wordt gastvrij ontvangen door boerenfamilies, waarvan de dochters een onweerstaanbare rode mond hebben en ogen 'vol zwart vuur'. Zo nu en dan wordt hij geplaagd door gevoelens van eenzaamheid, maar dat blijkt slechts 'een vleug van smart'. God zelf wandelt immers aan zijn zijde? Tijdens een avond in een klooster in de Dolomieten komt de abt de refter binnen en grijpt de jongen zijn kans. Zodra hij de kans krijgt stelt hij de oude man met zijn lange baard de hamvraag: 'Dan, na de stilte van het eten, / Vraagt hij: 'gij soms nog een wensch?' / 'Vader,' zeg ik, 'ja; ik wil weten / Wat mijn taak op aarde is als mensch' '.

De abt blijkt een ziener. De verteller moet geen priester worden, maar dichter. 'Gij moet niet in den hemel wonen, / Doch op aarde - als deze wijn. / Gij moet tot op uw huid beleven / Al der wereld lief en leed; / Gij moet geheel uw zijn verweven / met de wereld: gij zijt poëet.' ' Pas flink wat strofen verderop voegt de jonge dichter de daad bij het woord. In een hotel ontmoet hij een Italiaans kamermeisje met een 'bloeiend lichaam' en een 'zachte en ondoorgrondelijken schoot'. Hoewel zijn ziel nog altijd glimt van reinheid, blijft hij niet bij haar, want hij wordt voortgestuwd door een onstuitbare Wanderlust. Eenmaal in Rome valt het gedicht uiteen in fragmenten, wat onmachtige beschrijvingen van de overweldigende aandoeningen die de stad hem bezorgt.

Aafjes wil in zijn gedicht de wereld als nieuw zien, maar zijn woorden zijn versleten. Tussen zijn beschrijvingen en de lezer hangt de ondoordringbare mist van poëtische cliché's. Alles is schoon, rein, zacht, klaar en puur in deze verzen. En als het niet groots en verheven en eeuwig is, is het toch tenminste pittoresk. Wat de jonge dichter ervaart, trekt zijn blik niet verder de wereld in, maar doet hem denken aan oude kunst, aan muzen en godinnen, aan Sappho en Psyche. Fysieke sensaties worden steevast ingekaderd met een handvol namen uit de kunstgeschiedenis. Ieder landschap lijkt op een schilderij.

Je krijgt het er vijftig jaar later benauwd van, zo veilig en knus en gekunsteld is de wereld van Een voetreis naar Rome. Een dichter trekt de wijde wereld in, maar het is alsof je thuis in je luie stoel door de Kleine Oosthoek bladert.

Precies dat moet de reden van het fenomenale succes van dit gedicht geweest zijn. Aafjes schreef het tijdens de Hongerwinter, een tijd waarin zelfs een hap bordkarton naar echt brood gesmaakt zal hebben. De sleetse woorden en beelden moeten bij zijn hongerige lezers een romantisch levensgevoel hebben opgeroepen, door ontbering en uit herkenning, juist omdat ze zo'n schril contrast vormden met de na-oorlogse werkelijkheid. Maar wat leek op een stoutmoedige ontdekkingsreis, was een vlucht, een ontsnapping naar een verzonnen wereld, waarin alles aangenaam nostalgisch vertrouwd was. De jonge katholieke dichter als romantische held, geplaagd door een vleugje weemoed, maar vrij van existentiële angsten en verdorven verlangens huppelt door een wereld die zich aan hem openbaart als niets minder dan een levende idylle.

Alsof er helemaal geen oorlog is geweest.

Juist ná Auschwitz moet er een grote behoefte aan poëzie zijn geweest, aan slechte poëzie vooral, aan verskunst die mensen herinnerde aan wat eens eeuwig mooi gevonden werd. Onschuld en reinheid, daar draait het in de surrogaatpoëzie van Een voetreis naar Rome om. Niet toevallig twee woorden die toen het gedicht verscheen juist hun betekenis verloren hadden.

Voetreis naar Rome van Bertus Aafjes (uitg. Meulenhoff) is niet meer leverbaar.

    • Bas Heijne