Een componist met een missie; Hans Werner Henze: Het wordt beter, niet gemakkelijker

Tijdens de première van een werk van de Duitse componist Hans Werner Henze in 1958 verlieten Karlheinz Stockhausen en Pierre Boulez demonstratief de zaal. Henzes muziek richtte zich naar hun oordeel te veel op de traditie. Onlangs werd Henze 70 jaar. Hij heeft inmiddels een stapel partituren geschreven van de vloer tot aan het plafond. “Tijd is als zuurstof, die kun je maar één keer gebruiken”, vertelt hij aan componist Rob Zuidam, die enige tijd bij Henze in de leer was.

Hans Werner Henze: Reiselieder mit böhmsichen Quinten. Autobiographische Mitteilungen. Uitg. S. Fischer. The Henze Collection (Deutsche Grammophon 449 860-2 t/m 449 875-2)

Op een frisse januaridag in 1991 hang ik wat in een fauteuil in de lobby van hotel Krasnapolsky in Amsterdam, in afwachting van mijn eerste ontmoeting met de componist Hans Werner Henze. Hij heeft de receptionist zojuist per telefoon meegedeeld dat hij binnen enkele minuten beneden zijn opwachting zal maken. Ik sla de hotelgasten gade en probeer me intussen voor te stellen hoe hij eruit zal zien. Ik ken zijn foto van platenhoezen, maar daarop is hij steevast op veel jeugdiger leeftijd afgebeeld. Men weet maar nooit hoe de tand des tijds zijn knaagwerk volbrengt.

Zou het misschien die man kunnen zijn, die zojuist ietwat schichtig de lift is uitgestapt? Nee, onmogelijk. Zou 't kunnen dat hij zó dik is geworden? Juist als ik bij mezelf enig onbehagen bespeur en overweeg dat we elkaar hebben misgelopen, openen de liftdeuren zich weer. Een gedistingeerde heer blikt mij uit de hel verlichte liftkooi aan. Zijn rug is kaarsrecht, zijn houding ontspannen. Hij is klein van postuur, maar niet tenger of fragiel, en hij gaat gekleed in een onberispelijk donker pak. Een bordeauxrode vlinderdas en pochet, zilveren horlogeketting en leren moccasins geven zijn voorkomen iets frivools.

Vanaf het moment dat zijn ogen contact hebben gemaakt met de mijne, maakt de wat strenge gezichtsuitdrukking plaats voor een guitige ironische glimlach. “Hèllooo”, begroet hij me mellow, bij de tweede lettergreep meer dan een octaaf naar beneden zakkend. Zijn stem is zacht, bijna zuchtend, maar klinkt gedecideerd doordat hij zijn woorden zorgvuldig afweegt. Henze schept er genoegen in zijn gezelschap te amuseren met virtuose conversatie. We besluiten wat door het centrum te kuieren, waarbij hij een meer dan oppervlakkige interesse voor de Amsterdamse Kaffeehäuser aan de dag legt.

Later, bij mij thuis, zit hij tegenover me aan tafel en houdt zijn donkere ogen strak op mij gericht. Hij weidt uit over muziektheater, wil dat ik een opera ga maken voor zijn Biënnale in München. Ik bespeur hoe een vonk van geestdrift in een ommezien een stortvloed aan ideeën het licht laat zien. Met de geestdrift komt ook zijn motoriek tot leven. Zijn gebaren worden heftiger en ik zie dat hij een klein beetje loenst. Het lijkt of ik naar twee gezichten tegelijk zit te kijken, die zich als in een soort schaduwdans voor mij ontsluieren en verhullen. Het ene gezicht is van een roofdier, een panter die naar me loert en om me heen sluipt, op zoek naar het moment om toe te slaan. Het andere is dat van een luiaard, of een ander zorgeloos schepsel.

Eerbetoon

De zeventigste verjaardag van Hans Werner Henze, op 1 juli, was reden genoeg voor het internationale muziekcircuit om hem uitbundig te fêteren. Een regen van Henze-festivals, -retrospectieven en nieuwe ensceneringen van produkties uit zijn omvangrijke muziektheatrale oeuvre daalt als confetti op de schouders van de jarige neer. Voor één keer klinkt de muziek als een eerbetoon aan haar creator.

Henze wekt de indruk een telg te zijn van een Duits aristocratisch geslacht. Je wilt automatisch zijn jas aannemen als hij binnenkomt. En hij laat zich dergelijke plichtplegingen achteloos welgevallen. In werkelijkheid is hij van eenvoudige komaf. Hij groeide op in Güttersloh, een mijnwerkersgehucht in Westfalen, tijdens de donkere jaren van het Derde Rijk. Deze brachten hem een diepe, blijvende afkeer bij van autoriteit en intolerantie. Muziek werd voor hem een middel tot expressie van persoonlijke vrijheid. Daarin kon hij ontsnappen aan de repressie en de lelijkheid, en kon hij zijn verlangen naar schoonheid cultiveren en gestalte geven. De denazificatie in de jaren na de capitulatie ging hem niet ver genoeg, te veel mensen bleven na 1945 gewoon op hun post zitten. Schertsend vertelt hij over de vrouw in Konstanz, die in 1948 nog alle aan het theater verbonden homo's bij de politie kwam aangeven.

Begin jaren vijftig besluit Henze zich voorgoed in Italië te vestigen. Daar projecteert zich het noord-Duitse polyfone temperament op de Mediterrane wereld van het belcanto en komt Henzes muziek tot wasdom.

Behalve in talloze politiek geëngageerde en muziek-esthetische geschriften, vindt hij vooral in het muziektheater een podium voor zijn vaak radicale denkbeelden. El Cimarrón (1969/70) handelt over het leven van de Cubaanse ex-slaaf Montejo, die 107 jaar oud is als hij Henze ontmoet. Das Floss der Medusa (1968) vertelt een symbolisch verhaal over het dramatische lot van de passagiers van dit schipbreuk lijdende fregat. Zij moeten toezien hoe de kapitein en officieren er in de enig voorhanden zijnde reddingsboot vandoor gaan, terwijl de Medusa zelf langzaam in de golven verdwijnt. Het zijn sterk archetypische, vaak aan de allegorie, mythe en satire verwante onderwerpen, door Henze voorzien van partituren die een diepgeworteld instinct voor theater ademen.

Over zijn ervaringen met het nazi-regime rept Henze zelden. “Ik weiger hoe dan ook om te lijden”, luidt zijn stoïcijnse commentaar. Lijden is voor Henze een spook uit het verleden. In zijn recent verschenen autobiografie Reiselieder mit böhmischen Quinten doet hij echter uitvoerig en onomwonden verslag van deze ontluisterende periode. “Om er voor eens en altijd vanaf te zijn”. Hij vertelt hoe hij als elfjarige jongen vanuit het klaslokaal keek op de geplunderde winkels en synagoges na de Kristallnacht en niemand er wat van zei. Ook niet over de klasgenootjes die sinds die dag niet meer op de les verschenen. Henze leefde überhaupt in een wereld van weinig woorden, afgezien van de keer dat zijn vader hem, wegens zijn vermoeden dat zijn zoon homoseksueel was, toebeet dat 'types zoals hij in het concentratiekamp thuishoren'. Om hem in het gareel te leren lopen, werd Henze lid gemaakt van de Hitler-Jugend, het begin van een barre tocht door het ineenstortende avondland, die eindigde met internering door de geallieerden.

Eenentwintig opera's

Het eerste dat in het oog springt aan Henzes muzikale oeuvre, is de ongelooflijke omvang ervan. Hedendaagse componisten kunnen nogal eens wat tobberig doen over hun muzikale produktiviteit. Zij zeggen: Het is niet meer zoals in de dagen van Mozart of Haydn. Die hadden een vast omlijnde taal die ze konden hanteren. Wij moeten toch met elk stuk het wiel opnieuw uitvinden. Zo niet Hans Werner Henze. Wie kan er bogen op eenentwintig opera's, negen symfoniën, een dozijn avondvullende balletten, talloze concerto's, orkestwerken en ontelbare stukken voor ensemble en solisten?

“In mijn muziek”, zegt Henze, “streven de oude vormen ernaar om hun betekenis te herwinnen, zelfs als het modernste timbre van de muziek ze slechts sporadisch toestaat om aan de oppervlakte te komen.” De traditie heeft hij altijd als een bron van inspiratie voor het nieuwe beschouwd, een houding die hem een veelheid aan dramatische modellen verschafte. Deze hanteert Henze met een buitengewoon ontwikkeld gevoel voor proporties en timing. Binnen het raamwerk van de grote vorm, kenmerkt zijn muziek zich door een grote mate van vrijheid en inventie. De lyriek en expressiviteit van zijn vocale schrijfwijze, maken Henze van meet af aan tot één der belangrijkste exponenten van het naoorlogse Duitse muziekleven.

Een flink aantal stukken van Henze heeft zijn weg gevonden naar het standaardrepertoire, zoals het ballet Ondine (1958), of Maratona di Danza (1956), dat hij samen met Luchino Visconti maakte. Het label Deutsche Grammophon brengt ter gelegenheid van zijn zeventigste verjaardag, de Henze-Collection op de markt. Het is een set van veertien cd's met schitterende stukken als de Elegie für Junge Liebende (1959/61), een opera op libretto van W.H. Auden, of de hemelse zangkunst, omspeeld met ongenaakbare strijkersmelodieën, van Being Beauteous (1963). De collectie impliceert een volledigheid die ze in werkelijkheid niet bezit. Het is een verzameling van Henzes muzikale output uit tussen 1949 en 1973 en betreft dan slechts de werken die voor dit label werden opgenomen.

Henze is een koortsachtige stroom van voortdurende activiteit, die een stapel partituren heeft opgeleverd van de vloer tot aan het plafond. “Tijd is als zuurstof, je kunt het maar één keer gebruiken”, is zijn devies. Aanvankelijk begon hij met het aannemen van zoveel mogelijk compositie-opdrachten om in het levensonderhoud van zijn moeder en jongere verwanten te kunnen voorzien. Hij schreef zittend op de rand van zijn bed, desnoods in de bus of in luidruchtige kantine's. Muziek schrijven werd tot een way of life. Uit financiële overwegingen hoeft hij het allang niet meer te doen. Henze heeft een missie. Nog altijd wendt hij zijn ijzeren zelfdiscipline aan op zijn zoektocht naar het verhevene. Wat opvalt aan zijn oeuvre is de diversiteit van de stukken afzonderlijk. Henzes composities lijken minder op elkaar dan die van bijvoorbeeld Morton Feldman.

Het zijn niet louter loftuitingen die hem ten deel vallen. Tijdens de première van zijn Nachtstücke und Arien in Darmstadt, 1958, verlieten collega's Karlheinz Stockhausen, Pierre Boulez en (tot dan zijn vriend) Luigi Nono demonstratief de zaal. Henzes muziek richtte zich naar hun oordeel te veel op de traditie en hij was niet bereid de geneugten van het serialisme, dat toen in zwang was, te omarmen. Henze bepaalt liever zelf hoe hij zijn muziek schrijft. Het incident vormde het begin van een breuk en een tot vandaag toe voortdurende rivaliteit.

“One has to know how to sell one's ass. Het is niet eenvoudig, maar het valt te leren.” Olijk, met zijn wenkbrauwen in halve maantjes gefronst, kijkt Henze mij bij een latere ontmoeting vanaf de andere zijde van zijn gekrulde achttiende-eeuwse schrijftafel aan. Het is middag en ik hou hem gezelschap terwijl hij een stapel correspondentie aan het ondertekenen is. 'Duizend vrienden voor het Montepulciano-Festival', een verzoek tot financiële ondersteuning van één van zijn talloze projecten, gericht aan gefortuneerde Italianen. “Waarom laat je 't niet gewoon automatisch afdrukken?”, vraag ik. “Dit geeft hun het gevoel dat ze persoonlijk benaderd worden”, doceert hij. Raadgevingen over zakelijke belangenbehartiging worden afgewisseld met het uit het hoofd reciteren van Goethes Faust. Hierbij legt hij zijn pen even weg en slaat, met het hoofd in de nek, zijn ogen in vervoering neer. Halverwege de stapel duurt het hem te lang en besluit hij om mij zijn handtekening te leren. Allemaal kriebelige hanepootjes, met geweldige uithalen op de H's. Gezamenlijk voltooien we de overige vijfhonderd verzoekschriften, waarbij hij er af en toe één uitpikt voor het toevoegen van een persoonlijke noot, als hij het vermoeden heeft dat er bij de betreffende geadresseerde succes te behalen valt.

Henzes organisatorische vermogens zijn even opmerkelijk als zijn compositorische kwaliteiten. Hij treedt problemen resoluut tegemoet, zoals in het geval van de Muffathalle in München. Oorspronkelijk was dit het zuiveringsgebouw van een wonderschoon art nouveau-zwembad. Het werd sinds lang benut als privé-tennisbaan van de Oberbürgermeister en zijn wethouders. Totdat Henze er lucht van kreeg en er de ideale ruimte in herkende voor een muziektheater voor middelgrote produkties, ten behoeve van de door hem georganiseerde biënnale. Nog geen jaar later was het pand voor ruim een miljoen Mark verspijkerd en konden de eerste voorstellingen plaatsvinden.

Foute stemvoering

De autobiografie Reiselieder mit böhmischen Quinten (een Boheemse kwint is een, volgens de barokke voorschriften, foute stemvoering) laat zich lezen als een bonte parade. Op mild-ironische wijze en met een scherp oog voor detail, verhaalt Henze uitvoerig over zijn vriendschappen en samenwerkign met kunstenaars als Pier Paolo Passolini, W.H. Auden, Ingeborg Bachmann, Yukio Mishima, Rudolf Nurejev, Fidel Castro en Hans Magnus Enzensberger. Een leven in het theater brengt, naast triomftochten, ook een stortvloed aan fiasco's, ruzies, roddels en intriges met zich mee.

Als Henze malicieus wordt, kan hij heel geestig zijn. Het duurt tot pagina 142, eer de naam Stockhausen voor het eerst valt. Aanvankelijk zijn er nog wat omtrekkende bewegingen, dan opent hij frontaal de aanval. Niet eens zozeer op de persoon zelf, alswel op de neue deutschen Musikpäpste, die Stockhausen in staat stelden het muziekleven te annexeren. Of op hun giftige echtgenotes, die tegen Henze 'samenspanden omdat ze gepikeerd vast moesten stellen dat hij hen niet begeerde'. Henze ontpopt zich als een kenner, en ten dele zelfs bewonderaar van het Karlheinzische oeuvre. Hij verwijt Stockhausen, afgezien van vijandige oncollegialiteit, afgunst, pompeusheid en nog wat trivialiteiten, verder niets. Volgens Henze is het een taak voor het nageslacht om een oordeel te vellen over de muziek van vandaag. Alles wat we nu kunnen doen is zorgen voor een eerlijk strijdtoneel.

Een interessant detail aan deze al decennia lang voortwoedende kift, is dat geen van de componisten die zich destijds van Henze afkeerden, trouw is gebleven aan zijn toenmalige idealen. Stockhausen is tonaal gaan schrijven. Boulez wordt bovenal gezien als een componist van sensuele klanken. Zij hebben zich meer in Henzes richting begeven dan ze wellicht zelf bereid zijn om toe te geven.

Het enige bezwaar dat je tegen Reiselieder zou kunnen maken is dat het allemaal wat veel is. Maar dit is onvermijdelijk, aangezien het doel van het boek is, om een beeld te schetsen van het leven van Henze. Essentieel voor de persoonlijkheid van Henze is zijn vermogen om schijnbare tegenstrijdigheden met elkaar te verbinden. Nu al staat vast dat hij een muzikaal monument zal achterlaten. Maar nog altijd denkt hij niet aan ophouden. In januari 1997 gaat zijn nieuwste opera Venus and Adonis bij de Bayerische Staatsoper in München in première. Later dat jaar is het de beurt aan de (voor Duitse componisten tamelijk omineuze) Negende Symfonie in Berlijn, gedirigeerd door de maestro zelf.

“Het wordt beter, niet gemakkelijker”, zegt hij, met zijn arm rustend op de rugleuning van de chaise longue, nippend van zijn whisky-soda. “Heb je het nu over componeren of over seks?” vraag ik. “Ach”, verzucht hij, “ik ben blij dat ik van al dat seksuele gedoe verlost ben. Kan ik eindelijk al mijn tijd aan het componeren wijden.” Hoe lang heeft het geduurd voor je dat punt bereikt hebt? Nu veert Henze lichtjes op en glimlacht spottend. Na een zorgvuldig geplaatste pauze riposteert hij: “Meer dan een halve eeuw.”