Duitsers zijn geboren verliezers; Gesprek met Martin Walser over 'Finks Krieg'

Sinds de verschijning van Finks Krieg is het niet meer stil geweest om de Duitse schrijver Martin Walser. Sommigen prijzen zijn roman als een meesterwerk van één van Duitslands grootste schrijvers, anderen zijn geschokt. Walser, met zijn linkse verleden, is nu in progressieve kring omstreden wegens zijn vermeende nationalisme. “De Duitse identiteit is geen jas die je even kunt uittrekken. Daarom voel ik me gedwongen me er mee bezig te houden.”

Martin Walser: Finks Krieg. Uitg. Suhrkamp, 310 blz. Prijs ƒ 58,80

Zou er dan nooit een einde komen aan de oorlog van de ambtenaar Fink? Vorige week woensdag berichtte de Süddeutsche Zeitung dat de ambtenaar die model heeft gestaan voor Martin Walsers nieuwste roman Finks Krieg opnieuw een klap aan zijn superieuren heeft toebracht. Martin Walser (69) kan zijn plezier over de affaire nauwelijks verbergen en loopt vanuit zijn tuin aan het Bodenmeer zijn huis in om het zojuist door zijn uitgever naar hem toe gefaxte knipsel te halen.

Sinds Finks Krieg in maart van dit jaar verscheen, is het niet meer stil geweest om Walser. Sommigen prezen de roman als een nieuw meesterwerk van één van Duitslands grootste levende schrijvers, anderen genoten van de aanklacht tegen de politiek die er in naar voren zou zijn gebracht. Maar niemand kon de zaak die Walser tot zijn boek had geïnspireerd buiten beschouwing laten. Walser: “Heel komisch, alsof het niet om het boek ging, maar om de bronnen.”

Het knipsel uit de Süddeutsche Zeitung beschrijft hoe Rudolf Wirtz, de man die model stond voor de Fink uit het boek, afscheid heeft genomen van zijn collega's bij de Hessische deelstaatregering. Op 1 juni zou hij met pensioen gaan, na een lange strijd met zijn superieuren, maar op de valreep heeft hij nog een laatste zet gedaan. In een uiteraard meteen uitgelekte afscheidsbrief aan zijn chef, een toegewijd SPD-er, herinnert hij eraan hoe hij deze chef ooit samen met een paar andere SPD-ers aan de macht heeft geholpen.

De brief is na Finks Krieg een nieuwe klap in het gezicht van de partij. Iedereen kan nu nog eens nagniffelen over de manier waarop politieke partijen in Duitsland door partijgetrouwe ambtenaren in het zadel worden geholpen. Dat moet Martin Walser goed doen. Walser heeft binnen de Duitse literatuur altijd al voor opschudding gezorgd. Groot geworden in de Gruppe 47, in het gezelschap van Günter Grass, Heinrich Böhl, Uwe Johnson en Ingeborg Bachmann, belandde hij in de jaren zestig in het extreem geëngageerde, linkse kamp. In 1966 richtte hij een informatiebureau op dat, net als het Nederlandse Vietnam-bulletin, een tegenwicht wilde bieden tegen de eenzijdige berichtgeving over de oorlog in Vietnam en hij verzamelde in korte tijd 60.000 handtekeningen onder een petitie die de Bondsdag vroeg Vietnam op de agenda te zetten. Walser was daarbij zo radicaal dat hij weigerde om nog naar Amerika te gaan. Met afschuw moest hij aanzien hoe de eens zo progressieve Gruppe onder leiding van Hans Werner Richter uitgerekend in Amerika haar jaarlijkse bijeenkomst wilde houden. Het leidde tot een breuk met wat naar zijn gevoel toch al het literaire establishment was geworden. “Wat begonnen was als een vriendenkring, begon steeds meer op een show te lijken, waarvoor je moest worden uitgenodigd. De onderlinge gesprekken tussen collega's waar het aanvankelijk om ging, waren geheel op de achtergrond geraakt.”

Sindsdien is Walser ook met links in botsing gekomen. Met schrijvers als Günter Grass die zich, anders dan hij, tegen de Duitse eenwording onder Westduitse leiding keerden, heeft hij heftige debatten gevoerd. Maar Walser kreeg het al evenzeer aan de stok met gematigder SPD-ers, die vreemd aankijken tegen Walsers opvattingen over de Duitse identiteit. Het is niemand minder dan de officiële SPD-woordvoerder Peter Glotz, die nu buitengewoon fel op Walsers nieuwe roman heeft gereageerd.

Aanval

Dat hoeft niet te verbazen. Het boek kan onder meer worden gelezen als een aanval op het partij-establishment. Met veel oog voor detail beschrijft Walser hoe een ambtenaar na achttien jaar trouwe dienst op non-actief wordt gezet wanneer zijn SPD-staatssecretaris plaats moet maken voor een CDU-er. Een medewerker van de CDU-er die zich bij de verkiezingscampagne verdienstelijk heeft gemaakt moet aan een baantje worden geholpen en de ambtenaar die dat baantje heeft moet dan maar hangen. Als hij zich daar tegen verzet, krijgt hij te horen dat er klachten over zijn functioneren zijn binnen gekomen. Ook als de SPD weer aan de macht is, wordt die beschuldiging niet rechtgezet.

Vanaf dat moment gaat het de ambtenaar niet meer om zijn baan, maar om zijn eer als ambtenaar, om zijn 'identiteit'. Fink wil de zaak tot in de hoogste instanties uitgezocht hebben. Hij klaagt de man die over de klachten is begonnen aan wegens meineed en legt de zaak voor aan een ombudsman. Aan het eind van zijn 'oorlog' krijgt hij zijn gelijk, maar de vraag is: ten koste van wat? In de loop van driehonderd bladzijden wordt duidelijk hoezeer een juridisch gevecht iemand met huid en haar kan opslokken. 'Die Welt ist alles wass mein Fall ist', ontdekt Fink, met een variatie op Wittgenstein. Zijn rechtszaak wordt voor hem het enige wat nog telt.

Finks Krieg is niet alleen een aanklacht tegen de ook in Duitsland oprukkende politieke patronage, het is ook een studie van de ambtenaar. Als de hoofdpersoon weer op zijn oude plaats mag terugkeren, op voorwaarde dat zijn zaak wordt afgesloten, accepteert hij dat principieel niet. Hij wil dat er 'recht' wordt gedaan. Met dit voorbeeld heeft Walser willen laten zien hoe in de ambtenarij verschillende werkelijkheden met elkaar in botsing komen. Er is een politieke werkelijkheid waar alles om macht draait, er is een juridische werkelijkheid waar het gaat om een abstract soort gelijk, maar er is ook de werkelijkheid van het menselijk geluk en de menselijke bestemming.

Die drie werelden, zo laat Walser zien, hebben ieder hun eigen taal, waar dan nog een keer de taal van de media overheen komt. Want de kranten die zich met de zaak gaan bezig houden, benaderen die vanuit hun eigen wetten en waarden. Geschillen en lijdensgeschiedenissen kunnen plotseling op de voorpagina terecht komen, maar even plotseling kunnen ze worden doodverklaard. Spelers kunnen via de pers onverwacht tot grote hoogte stijgen, maar daarna meedogenloos aan hun lot worden overgelaten, wanneer de verslaggever aan zijn volgende klus beginnen moet.

In Duitsland heeft niemand lang hoeven raden op welke gebeurtenissen het boek is gebaseerd. Finks Krieg was nog niet uit of de Frankfurter Allgemeine Zeitung publiceerde een uitvoerige Who's who. Iedereen kon zien om welke zaak het ging. Andere kranten gingen uitvoerig in op het karakter van Walsers voorbeeld. Het weekblad Die Zeit wees erop dat de ambtenaar in Walsers roman niets van de onverschrokken held had die hij in het echt dacht te zijn. Walser had hem zonder scrupules opgenomen in zijn reeks zielige, kleinburgerlijke hoofdpersonen.

Walser beseft dat deze vergelijkingen de man die model stond voor zijn boek hebben pijn gedaan: “Finks Krieg werd tot een psychopathologische studie uitgeroepen, alsof er een 1 op 1 gelijkenis was tussen Fink en mijn voorbeeld.” Zelf moet hij er niet aan denken om in termen van pathologie over zijn hoofdpersoon te spreken. “Als je, zoals Fink, voor je leven vecht is het logisch dat je elk gevoel voor verhoudingen verliest. Je moet dan wel extreem zijn. De eisen van goede smaak gelden dan niet. Wie in gevecht is en 's nachts niet kan slapen, kan zich geen goede manieren veroorloven.”

Herkenning

Als Walser over de ontvangst van zijn boek begint te vertellen, kan hij zijn verbazing nog altijd niet onderdrukken. Hij betreurt het dat de man die voor zijn boek model heeft gestaan nu de inzet is van persoonlijke polemieken, maar heeft niet de indruk dat hij er erg veel spijt van heeft aan zijn boek te hebben meegewerkt. Een paar weken geleden is hij nog een middag op bezoek geweest en heeft toen dertig gesigneerde exemplaren van het boek gevraagd om aan zijn vrienden uit te delen. “Dat zou hij niet hebben gedaan als hij niet was ingenomen met het resultaat.”

Voor Walser stond van het begin af aan vast dat zijn model met de publicatie van zijn boek akkoord moest gaan. Hij is aan het project begonnen op voorwaarde dat hij volledig de vrije hand zou krijgen om alle gegevens naar eigen inzicht te vervormen, maar hij zou, zegt hij, nooit iets hebben gepubliceerd zonder instemming van de man over wie het ging. “Dat zou te pijnlijk zijn geweest. Als hij na lezing had gezegd: helaas, dat kan niet, dan had ik het niet gedaan. Of ik had gekeken of we het later, als we allebei dood zijn, hadden kunnen laten uitgeven.”

Belangrijker dan de vraag of zijn model zich in het boek herkent, is voor Walser dat veel lezers zich er in blijken te herkennen. “Gelukkig lezen de meesten het als hun eigen geschiedenis, en niet als de mijne of die van Wirtz.” Bij elke optreden dat hij de afgelopen tijd heeft gehad, is er wel iemand in het publiek opgestaan om te zeggen dat het zijn verhaal is, dat Finks Krieg beschrijft. “Vorige maand op een conferentie van Duitse leraren in Frankrijk komt er aan het eind een man naar me toe met de woorden: ik ben al zeven jaar Fink.” Walser gaat de post halen die hij die morgen heeft gekregen en leest een paar willekeurige brieven voor. Grote enveloppen vol klein leed. “Ik kan het bijna niet meer lezen. Mijn kasten en archieven zitten vol met dit soort documenten van mensen die lijden, uit het leger, de industrie, het onderwijs, overal vandaan.”

Voor Walser, die sinds zijn debuut in 1955 een kleine twintig romans heeft gepubliceerd, was het de tweede keer dat hij een boek op een werkelijk gebeurde geschiedenis baseerde. In 1993 publiceerde hij zijn vijfhonderd bladzijden tellende Die Verteidigung der Kindheit, die als één van de belangrijkste naoorlogse Duitse romans wordt beschouwd. Ook voor dit boek verdiepte hij zich in een bestaande figuur. In 1988 had hij een pakje kaarten en brieven gekregen, geschreven door iemand die net overleden was. Toen Walser de brieven las, ontdekte hij dat ze allemaal aan een moeder waren gericht. Omdat hij altijd nog eens over zijn eigen verhouding tot zijn moeder wilde schrijven, greep hij de gelegenheid aan om meer over de man te weten te komen. “Ik heb andere figuren nodig om te kunnen schrijven wat mij kwelt of verontrust”, zegt Walser. “Ik kan niet goed over mezelf schrijven. Dat is me te pijnlijk. Over anderen kun je radicaler zijn. Vergelijk het met een kind dat met poppen speelt. Als een meisje een van haar poppen tot roverhoofdman maakt en een andere tot prinses, kan ze daarmee veel meer over zichzelf zeggen dan zonder poppen.”

Walser merkte dat de grote tragiek van de briefschrijver was, dat hij zich nooit van zijn jeugdjaren in het Oosten van Duitsland had kunnen losmaken. Na de oorlog en na de Duitse deling was hij in West-Duitsland gaan wonen, maar omdat een deel van zijn familie in Oost-Duitsland was gebleven ondervond hij dagelijks de verscheurde situatie waarin zijn land zich bevond. Als reactie daarop cultiveerde hij op een bijna ziekelijke manier zijn eigen levensgeschiedenis.

Mijn beurt

Hij vertelt hoe zijn laatste roman rechtstreeks uit zijn eerdere project is voortgevloeid. Voor het schrijven van Die Verteidigung der Kindheit had hij contact gezocht met mensen die zijn model van nabij hadden meegemaakt en hij was daarbij terechtgekomen in Wiesbaden, waar zijn hoofdpersoon ambtenaar bij de deelstaat Hessen was. Daar ontmoette Walser een man die hem buitengewoon goed hielp. Die Verteidigung der Kindheid werd aan hem opgedragen, maar pas daarna ontdekte hij waarom hij zoveel tijd voor hem had gehad. De man was in een diepgaande juridische strijd verwikkeld. In afwachting van de uitslag was hij op non-actief gesteld. Toen Walser hem een exemplaar van zijn roman kwam brengen, zei de man tot zijn verbazing: “En nu is het mijn beurt.”

Wat Walser in zijn geval aansprak was dat het ging om figuren uit de politieke sfeer, die te maken krijgen met het lijden van iemand. “Hoe gebruiken zulke mensen iemand, om hem vervolgens weer te laten vallen als ze hem niet meer nodig hebben?”

Het werken aan wat Finks Krieg zou worden bleek aanmerkelijk inspannender dan het schrijven van het eerste boek. Walser was er zelfs geruime tijd ziek van. “Het was zo kwellend. Twee jaar lang heb ik de zaak uitgezocht en genoteerd, zonder dat ik er op kon reageren en zonder dat ik wist wat er uit zou komen. Dat is erg lang op mijn leeftijd. Ik werd er nerveus en verkrampt van. Bij Die Verteidigung der Kindheit ging het om de liefde van een zoon voor zijn moeder en om de gevolgen van de Duitse deling. Maar hier ging het om lijden door machtsmisbruik. Dat is zo veel rauwer.”

Anders dan de echte ambtenaar die tot na zijn pensioen strijdbaar is gebleven, trekt Walsers ambtenaar Fink zich aan het eind van het boek in een klooster terug. Hij schrijft een hoog gestemd manifest waarin hij zich ondubbelzinnig over de situatie in het Duitsland van na de oorlog uitlaat. Het boek krijgt dan plotseling iets heel grimmigs. Een van de stellingen die Fink poneert is dat de Duitsers van zijn generatie door de oorlog voorgoed zijn aangetast. Duitsers die nu worden geboren, zo denkt hij, krijgen het 'beter zijn' bij hun geboorte mee, maar voor zijn eigen generatie geldt dat niet: '(-) de manier waarop mijn vader uit de verloren oorlog terugkwam, en hoe wij deze oorlog sindsdien steeds weer opnieuw en steeds verschikkelijker verliezen, dat is, geloof ik, bepalend voor hoe ik op prikkelingen reageer.'

Fink ziet de Duitsers om hem heen als geboren, of in ieder geval vroeg geschoolde verliezers, en verliezers, weet hij, hebben geen waardigheid. Alleen winnaars kunnen aan iets waarde geven: 'Daarom moet je winnen. Win je niet, dan is alles wat je maakt en doet stront, waardeloos.'

Achteraf vraagt Walser zich af of hij dit slot zo in zijn boek had moeten opnemen. Sommige lezers, zoals de SPD-woordvoerder Peter Glotz ('mijn politieke zedenmeester'), blijken het te hebben aangegrepen voor een felle aanval op zijn persoon. Glotz beschuldigt hem om dit soort zinnen nu van 'dumpf deutsche Fieberphantasieen'.

Walser voert zulke reacties terug op de Duitse neiging om in romans altijd een boodschap te willen ontdekken. Maar hij vraagt zich ook af of hij het zijn lezers niet te makkelijk heeft gemaakt om Fink in een bepaalde Duitse traditie te plaatsen. “Goed, ik heb het geschreven, maar ik zie nu dat ik het in het Duitsland van nu beter niet had kunnen publiceren.”

Toch vindt Walser Duitsland als thema voor een schrijver te belangrijk om te negeren. Nadat hij het Duitse verleden in het begin van zijn schrijverschap 'te belastend' vond om er zich mee in te laten, kan hij er nu niet omheen dat Duitsland iets voor hem betekent. “Ik zou me ook liever met iets anders bezig houden, maar als je zoals ik de jaren 1933 tot 1945 hebt meegemaakt, kun je niet vanuit de familiekring in één keer in het internationale springen. De Duitse identiteit is geen jas die je even kunt uittrekken. Daarom voel ik me gedwongen me er mee bezig te houden.”

Karl May

Walser is de laatste jaren een veel gevraagd spreker over het Duitse vraagstuk, waarbij hij zich steeds vaker de kritiek van links op de hals haalt. In zijn in 1994 verschenen essaybundel Vormittag eines Schrifstellers citeert hij Botho Strauss die schrijft: 'Geen Duitsland gekend tijdens mijn leven./ Alleen maar twee vreemde staten, die mij verboden,/ in naam van een volk om Duitser te zijn./ Zoveel geschiedenis, om zo te eindigen?'

Zijn werk aan de roman Die Verteidigung der Kindheid, vertelt hij, maakte hem voor het eerst duidelijk hoe absurd de Duitse naoorlogse geschiedenis eigenlijk is. “Ik zag hoe toekomstige generaties een deling werd opgedrongen, zonder dat zij aan de oorzaak daarvan schuld hadden.” Zijn toen nog omstreden opvatting dat Duitsland één land was, voert hij nu terug op zijn 'gevoel voor geschiedenis'. Dat wordt hem niet in dank afgenomen. “Ik word uitgelachen. Ze zeggen: denken kan hij niet, hij heeft alleen maar zijn gevoel. Alsof er twee verschillende soorten mensen zijn.”

Om zich Duits te kunnen voelen, zegt Walser, is het voldoende om één Duitse jeugd te hebben gehad. “Als je van mijn generatie bent, doe je zoveel ervaringen op die je later bepalen. Die horen bij je constitutie en daar moet je dan ook blijk van geven. Ik laat me niet beperken door wat de politieke correctheid voorschrijft. Ik heb als kind twee Saksische schrijvers gelezen, Karl May en Friedrich Nietzsche, maar toen ik in de tijd van de DDR hun graf wilde bezoeken, was dat er niet. Dat is toch absurd.”

De ambtenaar die voor Finks Krieg model heeft gestaan zou dit soort opmerkingen weet Walser, nooit uit zijn pen zou hebben gekregen. Die is daarvoor altijd veel te veel ambtenaar gebleven. Ook de reflectie die Walser hem in de loop van het boek toedicht, zou hij volgens zijn auteur nooit hebben opgebracht. “Ik heb die ontwikkeling niet bewust gepland. Het bespiegelende dat geleidelijk over Fink komt is voortgekomen uit de dialectiek van het schrijven. Ik verdroeg het eenvoudigweg niet om het hele boek door in Fink opgesloten te blijven. Ik ben wat dat betreft geen strateeg. Het boek heeft zich zelf geschreven en ik ben gevolgd.

“Toen hij hier de laatste keer wegging, merkte ik hoe ver ik me in mijn boek eigenlijk van hem heb weggeschreven. Hij is nog steeds de ambtenaar Fink, zonder enige reflectie. Hij lijdt nog altijd. Hij is niet met mij mee in het klooster gegaan. Tijdens ons gesprek wilde ik hem de hele tijd laten meereizen, maar het lukte niet. De werkelijkheid is ook voor een schrijver onaantastbaar.”