De muis slaat de vleugel aan - Muziek!; Interactief als toverwoord van drie tentoonstellingen

Het gebruik van 'nieuwe media' lijkt tot de ultieme democratisering van de kunst te leiden: iedereen kan overal zijn eigen kunstwerken maken. Interactieve kunstwerken zijn vaak installaties waarbij je iets moet doen: op een toetsenbord typen, een muis aanklikken of fietsen op een hometrainer. Zo kun je in een kloosterhof belanden, of op een besneeuwd weiland.

Under Capricorn - The World over. Stedelijk Museum, Amsterdam en City Gallery Wellington, Nieuw-Zeeland. Met o.a. James Lee Byars, Matt Mullican, Ger van Elk, Rob Scholte, Robert Smithson en Bill Viola. T/m 18 aug. Internet: http://art.cwi.nl/stedelijk/capricorn

Mediascape. Guggenheim Museum Soho, New York. Met o.a. Bruce Nauman, Marie-Jo Lafontaine, Jenny Holzer, Nam June Paik, Bill Viola. T/m 15 sept.

Een bekend verhaal, dat vaak wordt gebruikt wordt om de onwaarschijnlijkheid van de evolutie van oersoep tot homo sapiens sapiens duidelijk te maken, vertelt over een aap die ergens in het heelal achter een enorme typemachine zit. Het beest mept in het wilde weg op de toetsen, en schrijft dus vrijwel altijd onzin. Maar als de aap lang genoeg blijft doortypen zal hij ooit in een keer, de complete werken van Shakespeare typen, achter elkaar en zonder één tikfout.

Hoe klein de kans op apen-Shakespeare is, heeft de bioloog Richard Dawkins laten zien in zijn boek The Blind Watchmaker. Dawkins ging aan de slag met één zinnetje uit Hamlet: 'Me thinks it is like a weasel'. Na wat probeer- en rekenwerk kwam hij tot de conclusie dat een aap ongeveer een miljoen miljoen miljoen miljoen miljoen jaar nodig zou hebben om het zinnetje correct te tikken, in een keer en zonder spelfouten - dat is, zo merkte Dawkins fijntjes op, een miljoen miljoen miljoen keer zo lang als het universum bestaat. Maar daarmee vermeed Dawkins het antwoord op een andere, voor de hand liggende vraag: wat als die aap God zou zijn - of Shakespeare?

Op dit moment zijn er 'worldwide' drie grote tentoonstelingen gaande, die kunst en 'nieuwe media' tot onderwerp hebben. Een vindt er plaats in New York en heet Mediascape, de twee andere zijn te zien in Amsterdam en Wellington, Nieuw Zeeland en werken samen onder de vlag Under Capricorn - The World Over. Waarom juist Amsterdam en Wellington voor een samenwerkingsverband hebben gekozen is niet helemaal duidelijk, hoewel het een feit is dat, als je vanuit Amsterdam een gat recht door de aarde naar beneden boort, je ergens in de buurt van Wellington uitkomt - zoiets schept een band.

Dat er zo langzamerhand een aantal van zulke tentoonstellingen moest komen, lag voor de hand. Sinds de videokunst min of meer is geïnstitutionaliseerd, zijn kunstenaars steeds gretiger op zoek gegaan naar nieuwe media - Internet en interactieve media als cd-rom en cd-i smeekten er bijna om door kunstenaars te worden opgepakt.

'Interactiviteit' en 'nieuwe media' zijn dan ook de toverwoorden op de drie tentoonstellingen. De band tussen Amsterdam en Wellington bestaat bijvoorbeeld uit een gezamenlijke Internet-site waarop kunstenaars als Laurie Anderson, Gerald van der Kaap, Merel Mirage, Rob Scholte en Peter Struycken interactieve kunstwerken hebben geprogrameerd. Toen ik deze werken de dag na de opening van de tentoonstelling wilde bekijken, bleek bijna de helft van de kunstenaars nog niet klaar: de kunstwerken deden het niet. Van de werken die wel te bezichtigen waren, bleek een opvallend groot aantal veel meer op woorden dan op beelden gericht. Er is een werk van Gerald van der Kaap waarbij je (Engelse) woorden als hell, love en art kunt intikken waarna er een plaatje verschijnt.

Spectaculairder was de site van de Amerikaanse Laurie Anderson. Ook zij baseert haar werk op woorden - ze gaat er zelfs zo ver in dat haar Here wel een beetje aan Richard Dawkins doet denken. Als uitgangspunt voor Here nam Anderson een lijst van de 258 meest gebruikte woorden in het Engels en begon daarmee te experimenteren. Als toeschouwer kun je haar daarin volgen, op allerlei manieren. Zo kun je de 258 woorden op rijm selecteren, maar je kunt ze ook acroniemen laten maken, of afzonderlijke letters over een soort plattegrond laten schuiven. Andersons werk moet het vooral hebben van het associatievermogen van de toeschouwer. Wil het een beetje leuk worden in Here, dan moet je ook het geluk hebben op de goede toetsen te drukken.

Fietsen

Op Under Capricorn en Mediamatic zijn ook 'live'-versies van interactieve kunstwerken te zien. Altijd zijn dat installaties waarbij je als toeschouwer iets moet doen: op een toetsenbord typen, een muis aanklikken of fietsen op een hometrainer - interactieve kunst is bijzonder populair bij kinderen.

Specialist in het genre is de Australische kunstenaar Jeffrey Shaw, van wie zowel in New York als in Amsterdam een werk is te zien. Shaw creëert virtuele werelden op enorme schermen, waarin je als toeschouwer een kijkje kunt nemen. Zo rijd je in Shaws Stedelijk-installatie, Place - A User's Manual, over een vlakte waarop in cirkelvorm allerlei 'werelden' opdoemen - het lijkt wel Dr. Who - waar je jezelf met behulp van joystick en vizier kunt insturen. Zo kun je in een kloosterhof belanden, of op een besneeuwd weiland; als je iets in een microfoon zegt trekken er allerlei woorden op het scherm voorbij - interactieve kunstenaars kunnen niet zonder tekstverwerker.

Nog opvallender is de installatie die de Japanse kunstenaar Toshio Iwai voor Mediascape heeft gemaakt. Het werk bestaat uit een computer, die is aangesloten op een vleugelpiano. In de zaal staat een computermuis waar je achter kunt gaan zitten en door aan de muis te draaien stuur je op een scherm witte blokjes aan, die tussen de muis en de vleugel worden geprojecteerd. De blokjes schieten naar voren, richting vleugel, en slaan, daar aangekomen, een vleugeltoets aan - muziek! Door met je muis heen en weer te gaan, worden verschillende noten aangeslagen - het resultaat is een klankpandemonium dat sommige mensen misschien wel muziek zouden durven noemen. Maar terwijl ik daar zo mee bezig was en me realiseerde dat die muziek in niets verschilt van het geluid dat een kind veroorzaakt als het op een piano beukt, kwam ineens een vraag op: hoe komt die aap eigenlijk aan die typemachine?

Op zowel Mediamatic als Under Capricorn zijn ook een aantal kunstwerken te zien die je, tegen het licht van al die interactiviteit gezien, als 'traditioneel' zou kunnen omschrijven. 'Doodgewone', schilderijen zitten er bij, van de Nieuwzeelandse meester Colin McCahon, van Ger van Elk of van Rob Scholte, maar ook fotowerken van Jan Dibbets, een installatie van James Lee Byars en het videowerk The City of Man van Bill Viola dat grappig genoeg zowel in New York en Amsterdam is te zien. Traditioneel zijn deze werken vooral in die zin, dat de toeschouwer niets meer heeft in te brengen dan zijn eigen interpretatie. Nergens mag hij aan draaien, prutsen of friemelen - de kunstenaars regeren hier nog over hun werken als goden in de hemel.

Wie deze werken bekijkt of ondergaat, merkt al snel hoe prettig dat eigenlijk is - de 'opgelegde kunst' kan je, juist door haar dwingende, starre aanwezigheid, op gevoelens, gedachten of ideeën brengen die je zonder dat kunstwerk nooit gekregen zou hebben.

Interactieve kunst is vaak nog vreselijk letterlijk. Neem bijvoorbeeld Terravision, het volgens de samenstellers spectaculairste werk van Under Capricorn, gemaakt door het Duitse collectief Art + Com. Het bestaat uit een enorme, op de muur geprojecteerde wereldbol, waar de toeschouwer met behulp van de muis overheen kan lopen en ook kan inzoomen op bepaalde stukken aarde - een letterlijk beeld van de Global Village. Meer is het ook niet en Terravision zou net zo goed een cursus aardrijkskunde kunnen zijn - iedere vorm van verbeelding is er uit verbannen.

Dat is het probleem met veel van de interactieve kunst op dit moment: the medium is nog grotendeels the message. Natuurlijk lijkt het allemaal heel wat, dat virtueel reizen over de wereld, de invloed van de toeschouwer op het resultaat - het is de ultieme democratisering van de kunst, iedereen kan overal zijn eigen kunstwerken maken. Maar ondertussen negeren de betrokken kunstenaars hooghartig de gedachte dat ze de typemachine zelf hebben neergezet en dus nog steeds voor God spelen - een God die zijn gebrek aan verbeeldingskracht verdoezelt door het initiatief schijnbaar ruimhartig aan de toeschouwer over te laten. Die verwordt daarmee tot een aap, willoos en slechts schijnbaar actief, en met maar een minieme kans kans dat hij ooit iets uit het interactieve medium zal toveren dat enigszins de moeite waard is. Erger nog: de toeschouwer, die geen toeschouwer meer is, wordt door de kunstenaar in de waan gebracht dat al het gebazel dat hij uit zijn computer tovert misschien wel kunst is.

En dat is een valse grap - van de goden om precies te zijn.