De dood geleefd; Jorge Semprun rekent af met Buchenwald

Jorge Semprun: Schrijven of leven. Autobiografie. Vert. Jeanne Holierhoek. Uitg. Meulenhoff, 320 blz. Prijs ƒ 49,90. Jorge Semprun: Federico Sanchez groet u. Vert. Ineke Mertens. Uitg. Ambo, 232 blz. Prijs ƒ 39.90

Een voorval in het concentratiekamp Buchenwald, enige dagen nadat het kamp is bevrijd door het derde Amerikaanse leger onder Patton: Semprun schrikt wakker doordat zijn naam uit de kampluidspreker klinkt, tot dan toe een boos voorteken. Maar onmiddellijk beseft hij dat hij niets meer te vrezen heeft. Hij wordt alleen maar verzocht door hem geleende boeken terug te brengen naar de leeszaal. Als hij hier tegenover de bediende, een communistische gedetineerde, zijn verwondering over uitspreekt - de kampen zullen immers verdwijnen en daarmee de bibliotheken - krijgt hij te horen: 'Het einde van het nazisme betekent nog niet het einde van de klassenstrijd.'

De man zou gelijk krijgen. Buchenwald veranderde alleen maar van regime en kende in de vijf jaar na het einde van de oorlog onder stalinistische terreur nog duizenden slachtoffers. Pas in 1950, bij de oprichting van de DDR, werd het kamp opgeheven. Buchenwald is het symbool van de opkomst en het failliet van het nationaal-socialisme en het communisme, de twee belangrijkste ideologische stromingen in het Europa van de twintigste eeuw.

De Spanjaard Jorge Semprun verbleef van januari 1944 tot de bevrijding op 11 april 1945 als gevangene in het kamp. Kort daarvoor was hij in Frankrijk gearresteerd wegens gewapend verzet tegen de bezetter. Tijdens de Spaanse Burgeroorlog was zijn vader zaakgelastigde voor de Spaanse Republiek in Den Haag. Nadat Franco als overwinnaar uit de Burgeroorlog gekomen was, ging de familie in balllingschap naar Frankrijk, waar Jorge in Parijs filosofie ging studeren en betrokken raakte bij het verzet. Als het niet tegen Franco kon, dan maar tegen de nazi's.

Uit zijn autobiografische werk L'écriture ou la vie dat als Schrijven of leven in een Nederlandse vertaling van Jeanne Holierhoek is verschenen, blijkt dat Buchenwald niet alleen een breuk in Sempruns leven betekende, maar ook de toetssteen zou worden voor al zijn denkbeelden over leven en dood. Het dagelijkse sterven om hem heen, gaf hem het gevoel dat de dood door hem is heengegaan, 'dat ik de dood in zekere zin heb geleefd'. De bevrijding, met de hernieuwde levensverwachting, maakte hem daardoor als het ware onsterfelijk, alsof hij zich met elke nieuwe dag verder van de dood verwijderde, alsof hij 'de Styx was overgezwommen'. Het bezorgde hem af en toe een gevoel of hij in een droom leefde, waaruit hij elk moment kon ontwaken om weer in de werkelijkheid van Buchenwald te belanden.

In de periode na de bevrijding moest Semprun voor zichzelf de keus maken om te schrijven of te leven. Hij had altijd het voornemen gehad om schrijver te worden, maar schrijven op dat moment betekende dat hij moest terugkeren naar Buchenwald, want een ander onderwerp was er niet. Een poging tot schrijven die hij in de zomer van 1945 ondernam, liep dood. 'Niet omdat het schrijven niet lukte; meer omdat het me niet lukte het schrijven te overleven. Alleen door zelfmoord te plegen zou ik dat werk van onvoltooide eindeloze rouw kunnen signeren, er bewust een punt achter kunnen zetten.'

Veel later, in de jaren tachtig, zou hij dit thema uitwerken in de roman La montagne blanche, waarin Juan Larrea, de hoofdpersoon, op het einde de Seine inloopt. Het alternatief, niet schrijven, maar leven, hield in dat hij moest trachten het verleden te vergeten.

Het is in die zomer van 1945 in Ascona een vrouw die hem tot deze keuze doet besluiten. Semprun sluit zich aan bij het illegale communistische verzet in Spanje tegen het Franco-regime en opereert daar onder de naam Federico Sanchez. Deze periode zal hij in 1978 beschrijven in de Autobiographie de Federico Sanchez. Na het XXste partijcongres van de CPSU in 1956 waar de misdaden van Stalin worden onthuld, krijgt hij steeds meer moeite met de praktijk van het communisme. In 1964 zal zijn kritiek resulteren in zijn verwijdering uit de partij, samen met zijn vriend en geestverwant Claudín. Dat gebeurt tijdens een vergadering op een kasteel bij Praag, voorgezeten door de 'koningin' van het Spaanse communisme, Dolores Ibaruri, bijgenaamd La Pasionaria, die hen uitmaakt voor 'intellectuele kippen zonder kop'.

Het maakt eindelijk zijn handen vrij - in de partij was hij slechts een anoniem radertje in de machine - om zich te bezinnen en te gaan schrijven. Ook al omdat er nu voldoende distantie bestaat met Buchenwald. Het leidt tot een aantal romans en scenario's, verfilmd door regisseurs als Resnais en Costa-Gavras, waaruit duidelijk zijn ontgoocheling over het communisme spreekt.

Toch duurt het nog tot 11 april 1987, een verjaardag van de bevrijding van Buchenwald, tot hij, terwijl hij bezig is aan iets anders, plotseling vijftien pagina's schrijft getiteld Schrijven of sterven, die hij opbergt in een map. Diezelfde dag pleegde Primo Levi zelfmoord. Een bizarre coïncidentie, ongetwijfeld, maar voor Semprun vervuld van betekenis. Voor Semprun was de tijd gekomen om openlijk over zijn ervaringen in het concentratiekamp te schrijven. Voorlopig bleef het boek in portefeuille, omdat hij eerst nog door González werd benoemd tot Minister van Cultuur.

Wij hebben het in Nederland heet van de naald kunnen meebeleven, omdat Semprun op dat moment geïnterviewd door Wim Kayzer voor diens tv-programma Nauwgezet en wanhopig. Vlak na het onderhoud met González zei Semprun, die net nog had verklaard geen politicus te zijn, niet zonder bravoure tegen Kayzer: 'Wij gaan Spanje redden'. Over zijn ministerschap schreef hij het boek Federico Sanchez vous salue bien, dat ook onlangs in het Nederlands werd vertaald (Federico Sanchez groet u; vertaling Ineke Mertens) en dat eerder in deze krant werd besproken door Ger Groot.

Schrijven of sterven, Sempruns definitieve afrekening met Buchenwald, is er, ondanks het uitstel en de omwegen, uiteindelijk toch gekomen. Het is geschreven in een stijl die we al van hem kenden, vol uitweidingen, terugblikken en associaties. Wat vooral opvalt, is de sterke intellectualisering van zijn kampervaringen. Ergens in het boek schrijft hij dat het niet voldoende is een beschrijving te geven van de gebeurtenissen, want die zullen er genoeg komen. Nee, om te worden gehoord moeten er kunstgrepen worden toegepast, en wel zoveel kunstgrepen dat het kunst wordt. 'Maar dan zal het niet gaan om de beschrijving van de verschrikkingen. Niet uitsluitend in ieder geval, en niet eens in hoofdzaak. Het zal dan gaan om een verkenning van de menselijke ziel temidden van de verschrikkingen van het Kwaad...' Dit Kwaad ziet hij, de gewezen filosofiestudent, in existentiële zin. Per slot van rekening had hij Sartres L'être et le néant 'verslonden' en wist hij van Heideggers 'Mit-sein-zum-Tode'. Het is 'niet het onmenselijke, uiteraard niet...(-) Het Kwaad is een van de mogelijke ontwerpen van een vrijheid die de mens tot mens maakt...'.

Toch zijn het juist Sempruns beschrijvingen waarin hij geen kunstgrepen toepast, die het pregnantst de sfeer van het kamp overbrengen. De stank van het crematorium, die zo verschrikkelijk is dat hij de vogels heeft verjaagd, en de zwoele, donkere stem van Zarah Leander die voortdurend uit de luidsprekers klinkt, en die van liefde zingt temidden van het altijd maar doorgaande sterven van de gedetineerden. Over zijn eigen overleven zegt Semprun: 'Ik vind het onjuist, onbehoorlijk bijna, dat ik door anderhalf jaar Buchenwald ben gegaan zonder één minuut van angst, zonder één nachtmerrie, gedreven door een steeds nieuwe nieuwsgierigheid, overeind gehouden door een onverzadigbare levenslust - ondanks de zekerheid van de dood, die ik dagelijks had ervaren, onzegbaar en onschatbaar had geleefd'.

Een troost waren daarbij bovendien zijn liefde voor de literatuur en de gedichten die hij voor zichzelf kon zeggen, en, als dat zo uitkwam, ook voor vrienden aan hun sterfbed. En dat alles op een plek die, zoals een wrede, maar voor hem misschien wel zinvolle speling van het lot wilde, gelegen was aan de voet van de Ettersberg, waar Goethe en Eckermann plachten te wandelen en hun gesprekken hielden.

    • Mels de Jong