De dirigent is een politieagent; Boek en cd vertellen wat muziek is

Honderd mensen die dicht op elkaar zitten en allemaal tegelijk heel verschillende dingen doen, dat kan nooit goed gaan. En toch is dat in klassieke muziek juist de bedoeling. Die honderd mensen vormen samen een orkest en juist omdat iedereen iets anders laat horen op zijn instrument, klinkt het heel mooi.

Neil Ardley met muziek van Poul Ruders: Een reis door de muziek. Uitg. Bosch & Keuning/ Lannoo, 80 blz. Prijs ƒ 39,90

Nou doen die honderd muzikanten niet zomaar wat. Voordat ze begonnen heeft de componist precies opgeschreven wat iedereen moest spelen. Daarna hebben ze flink gerepeteerd en als ze eenmaal samen spelen, is er een dirigent die als een soort politieagent het verkeer regelt: hier heeft de violist voorrang, daar mag de trompet zijn claxon laten horen, ginds moet iedereen wachten tot de pauken voorbij zijn.

Wie wil weten hoe een orkest eruit ziet, kan natuurlijk gewoon naar een concert gaan. Maar van een afstand valt het niet mee om al die verschillende instrumenten te herkennen. Het gaat vaak zo snel dat je nauwelijks kunt zien waar het geluid vandaan komt. Uit welke hoek klonk dat mooie geluid dat zo zacht leek als fluweel? En die merkwaardige pling-plong, die klonk als een portemonnee waar allemaal muntjes uitvallen?

Het boek Een reis door de muziek wijst de weg in een orkest. Het vertelt waarom de dirigent een stokje in de hand heeft en welke instrumenten er allemaal meedoen. En omdat muziek pas muziek is als er ook iets te luisteren valt, zit er een cd bij waarop je kunt horen wat zojuist is uitgelegd.

Het leuke van een cd is, dat je alles wat erop staat als een taartpunt in kleine stukjes kunt verdelen, die je allemaal apart kunt proeven. Zo'n taartpuntje heet een 'spoor' en deze cd heeft er 64. De helft bestaat uit één muziekstuk van Poul Ruders voor een groot orkest (waarin hij knap alle instrumenten aan bod laat komen). De andere is een serie korte fragmentjes waarop alle instrumenten van het orkest een solo-riedeltje laten horen (op die losse stukjes klinken sommige instrumenten trouwens lang niet zo mooi als in het echt).

In het boek wordt steeds verwezen naar de sporen van de cd. Als je wilt weten hoe een tuba klinkt, kun je luisteren naar spoor 14. Daar speelt die eigenwijze, lompe toeter (want zo klinkt een tuba wel een beetje) een halve minuut lang de melodie. Spoor 20 is een spectaculaire waterval van slagwerk.

Een reis door de muziek legt ook uit hoe de tonen op een instrument ontstaan. Soms is dat wel een beetje ingewikkeld, maar het is toch leuk om te weten waarom een klarinet zoveel gaten heeft dat je maar net vingers genoeg hebt om alle tonen te maken, terwijl een trompet maar drie knoppen nodig heeft.

Het is jammer dat de beschrijvingen zo kort zijn. Daardoor is er geen plaats voor allerlei rare verhalen die er over muziek bestaan. Zoals over Stradivarius, die meer dan 250 jaar geleden de mooiste violen maakte die er bestaan. Het zou toch leuk zijn om te lezen dat hij daarvoor het liefst hout gebruikte van een boom die bij volle maan was gekapt. En dat hij dat hout besmeerde met een geheimzinnige lak die niemand heeft kunnen namaken. Of over Paganini, die zo mooi viool speelde dat iedereen dacht dat hij het op een akkoordje had gegooid met de duivel.

    • Paul Luttikhuis