Dag liefje

“Bez! Bez!” schreeuwde de duivel en hij schopte tegen de binnenkant van de fles.

“Nou hoor ik het toch duidelijk”, zei Bez.

Met ingehouden adem keek ze in de richting vanwaar het geluid kwam en zag de zwarte fles.

“Zeg meisje”, zei ze op een andere toon, “hoe kom jij aan die fles?”

“Die heb ik gevonden”, zei het meisje bedremmeld.

“Dat is een hele vieze fles en er staat ook geen statiegeld op, dus daar heb jij toch niks aan?”

“Ik wou hem weggooien”, zei het meisje.

“Geef maar hier, dan gooi ik hem wel weg.”

Het meisje gaf de fles aan Bez en zei: “Maar...”

“Maar is daar”, zei Bez en wees in de verte.

Het meisje wilde weglopen.

“Bez! Bez! Pas op!” De duivel hield niet op met schreeuwen. “Laat haar niet gaan! Ze heeft het vergrootglas!”

“Wacht, meisje”, zei Bez. “Wat heb je een leuk rugzakje. Daar kan vast heel wat in. Wat heb je er bijvoorbeeld allemaal ingestopt?”

“Een zakdoek...”

“En wat nog meer?”

“Dropjes...”

“En verder?”

“Een pakje appelsap...”

“En wat nog meer?” zei Bez ongeduldig.

“Een vergrootglas...”

“Aha”, zei Bez.

“Ik heb het gisteren een jongen zien verliezen”, zei het meisje. “Ik hoopte dat ik hem zou tegenkomen, zodat ik het terug kon geven.”

“Ik ken die jongen”, zei Bez. “Ik geef het hem wel terug.”

“Maar het was die jongen die ik met zijn oma in de ijswinkel heb gezien.”

“Welnee”, zei Bez, “dat denk je maar. Er lopen zoveel jongens rond in deze wereld en er zijn zoveel vergrootglazen. Maar ik ken toevallig wel de jongen die het vergrootglas kwijt is dat jij daar hebt.”

“Hoe weet u dat dan, mevrouw?”

Bez keek haar streng aan.

“Hebben ze jou thuis geleerd dat je oude mensen mag tegenspreken?” zei ze. “Foei, wat ben jij brutaal.”

“Maar ik...” zei het meisje aarzelend.

“Brutaal en onbeleefd”, zei Bez.

Het meisje wilde het rugzakje van haar schouders laten glijden, maar Bez zei: “Nee, blijf staan. Ik haal het er zelf uit, want het is veel te gevaarlijk. Zo'n slap rugzakje... Je weet maar nooit of het glas gebroken is en dan zou je je eraan kunnen snijden.”

Haar magere vingers kropen in het rugzakje, klemden zich om het vergrootglas, trokken het eruit en staken het onder haar jurk.

“Dag liefje”, zei ze met een grijns. “Tot ziens. Je weet maar nooit.”

Het meisje zette haar capuchon weer op, draaide zich om en liep weg. Soms kom je heel bijzondere mensen tegen, zei ze stilletjes bij zichzelf. Maar dit was wel een erg vreemd en eigenaardig oud vrouwtje...

Terwijl het meisje met haar broertje langzaam verder langs zee wandelde, ging Bez ervandoor. Eerst rustig, toen op een holletje. Ze mocht dan oud zijn en graag op de rug van haar kleinzoon reizen, als ze er zin in had, kon ze er wat van. Met een snelheid die een vuurpijl benijden zou, vloog ze terug naar de hel.

    • Mensje van Keulen