Verdrag belemmert musea in hun aankoopbeleid

ROTTERDAM, 4 JULI. Een aantal Nederlandse musea zal in zijn aankoopbeleid worden belemmerd als Nederland het Unidroitverdrag heeft ondertekend. Dit internationale verdrag moet volken beschermen tegen 'plundering' van hun culturele erfgoed en het moet de illegale handel in vooral etnografica, aziatica en clandestien opgegraven archeologische stukken tegengaan.

“Alle oudheden die nu te koop zijn, werden ooit, in de 17de, 19de of 20ste eeuw, clandestien opgegraven en geëxporteerd,” zegt H.A.G. Brijder, hoogleraar klassieke archeologie en directeur van het Allard Pierson Museum in Amsterdam. “Omdat de herkomst vaak onduidelijk is, zal het straks problematisch worden om stukken in bijvoorbeeld Duitsland en Zwitserland aan te schaffen. Die gaan dus onze neus voorbij en dat is vervelend, want je moet als museum je collectie kunnen blijven uitbreiden.”

Belangrijke etnografische voorwerpen moeten beslist in landen van herkomst, in Afrika en Zuid-Amerika, blijven, zegt Brijder: “Maar als het om bijvoorbeeld klassieke Griekse vazen gaat, waarvan er tienduizenden zijn opgeslagen in Griekse depots en waar men zelf niet weet wat men ermee aan moet, dan ligt het anders. Als archeoloog ben ik er volstrekt op tegen dat illegaal opgegraven stukken op de markt komen, als museumdirecteur wil ik kunnen blijven kopen.”

De kunst- en antiekhandel heeft zich deze week en bloc tegen de ondertekening van het 'ongedifferentieerde' Unidroitverdrag gekeerd, maar de Nederlandse Museumvereniging is een groot voorstander, aldus voorzitter Rik Vos. Hoewel Amerika, Engeland en Duitsland niet voornemens zijn het verdrag te ondertekenen, scharen zowel de Britse als de Duitse museumwereld zich wèl achter toetreding tot het verdrag, meent Vos.

“Als museum moet je er bij aankopen op kunnen vertrouwen dat het in de kunsthandel om kosjere spullen gaat. Dit verdrag heeft, voor zover ik weet, vooral betrekking op belangrijke kunstvoorwerpen, die in Nederland nauwelijks worden verhandeld. Toch wordt nu duidelijk gesteld dat deze illegale waar niet mag worden gekocht of verkocht. Zodoende weet men nu precies hoe Nederland met cultuurgoederen omgaat”.

Volgens de Nederlandse kunst- en antiekhandel is het verdrag noodzakelijk voor een summier segment van de totale kunsthandel; de smokkel en handel in illegaal opgegraven etnografica, zoals eeuwenoud Afrikaans en pre-columbiaans aardewerk en archeologische objecten van onder meer Griekse, Turkse en Italiaanse origine. “Desondanks wordt de reguliere handel, die niets met de niet-westerse kunst te maken heeft, belast met ontzaglijke administratieve belemmeringen”, zegt Hans Cramer, handelaar in met name 17de-eeuwse Nederlandse schilderkunst in Den Haag. “Men moet gaan uitzoeken waar een stuk vandaan komt en waar het naartoe gaat, terwijl menig koper er helemaal geen prijs op stelt om geregistreerd te worden.”

Henk Italiaander, al dertig jaar etnografica-handelaar in Amsterdam, vindt evenals zijn meeste collega's, het verdrag “ongenuanceerd”, omdat onduidelijk is wat men onder cultuurgoederen verstaat, en “hypocriet”, omdat van musea, vaak in bezit van onrechtmatig verkregen kunstwerken, blijkbaar niet wordt verwacht dat zij die teruggeven aan het land van herkomst. De verschillende Europese interpretaties van het begrip 'cultuurgoed' lopen sterk uiteen. In Italië valt daar elke oude munt onder, in Nederland voornamelijk museaal bezit.

In Nederland wordt geen handel gevoerd in illegaal opgegraven Afrikaans aardewerk, vertelt Italiaander. Hij schat dat deze kostbare voorwerpen zo'n vijf procent van de totale etnografica-markt uitmaakt. Het gaat om Djenné-aardewerk uit Mali, onlangs geëxposeerd in het Leidse Museum voor Volkenkunde dat sterk pleitte voor de totstandkoming van dit verdrag, en om het erfgoed van de Nok-cultuur uit Nigeria en de Koma-stam uit Noord-Ghana. Franse en Belgische collectioneurs tellen er tienduizenden guldens voor neer. Nederlandse verzamelaars zijn zelden bereid meer dan vijfduizend gulden voor een etnografisch stuk te betalen.

“Stukken waarvoor men aan de Ivoorkust en Opper-Volta vrolijk een uitvoervergunning verstrekt, worden hier geconfisqueerd”, aldus Italiaander, bij wie onlangs twee 19de-eeuwse, gegraveerde apeschedels, fetisjes, in beslag werden genomen, omdat de aap een beschermde diersoort is. De recente inbeslagname in Rotterdam van een viertal containers met Thaise reliëfs en Afrikaanse etnografica - incidenten die Nederland een slechte naam hebben gegeven als doorvoerland van illegale kunst, aldus de minister van justitie Sorgdrager - is, volgens Italiaander “een heleboel wind om niets”. De Nederlandse museumconservator die de etnografica-kwestie in deze behandelde wist, volgens Italiaander, te weinig over de waarde en zeldzaamheid van het materiaal. “Het waren persoonlijke eigendommen uit Ghana, een land dat etnografisch weinig meer te bieden heeft”, aldus Italiaander: “Veel houtsnijwerk wordt in Afrika afgedankt en weggegooid als het zijn rituele diensten heeft bewezen.” De Thaise reliëfs bleken te goeder trouw voor 15.000 gulden te zijn gekocht, en veel meer zijn ze ook niet waard, want de Thaise handelaren kennen de prijzen precies, aldus kunsthandelaar W.E. Bouwman in Amsterdam, die ook onderstreept dat “van Nederland als kunstdoorvoerland volstrekt geen sprake is”.

De meeste musea in Afrika zijn niet in staat hun collecties goed te conserveren, meent Italiaander. “Daarom is het goed dat wij hun erfgoed hier enige tijd bewaren. België heeft aan Zaire een museum geschonken en daarbij ook afstand gedaan van enkele belangrijke stukken. Diezelfde objecten zag je korte daarna terug in de Parijse kunsthandel.”

Hoewel de kunst- en antiekhandel zich wèl schaart achter de bedoeling van het verdrag, het internationaal keren van kunstsmokkel, wordt aan de doelmatigheid getwijfeld. “Wat ik het ergste vind is dat alleen het einde van de exportlijn wordt aangepakt”, zegt mevrouw M. Zilverberg, handelaar in oudheden in Amsterdam. “Zolang er niets wordt gedaan aan het roven en plunderen in die landen waar de voorwerpen vandaan komen, verandert er ook niets. De export van archeologische voorwerpen zou in die landen zelf geregistreerd moeten worden.”

Bij invoering van het verdrag zal een aanzienlijk deel van de kunsthandel zich verder naar landen als Engeland, Duitsland en Amerika verplaatsen, voorspellen Ziverberg en collega's. Het leidt er ook toe dat er minder verzameld wordt. Nu al, vertelt Italiaander, tonen sommige klanten zich achterdochtig.