Moderne domheid

De Nederlandse academische wereld is enige tijd geleden verrijkt door de komst van een jonge, dynamische en kritische geleerde. Hij heet P. van der Veer en is hoogleraar godsdienstwetenschappen alsmede directeur van het Onderzoekscentrum Godsdienst en Maatschappij te Amsterdam. Een typische vertegenwoordiger van de moderne devotie dus. Onze onderzoeksdirecteur heeft heel wat van de wereld gezien (Friesland, Frankrijk en de Verenigde Staten) en hij wil dat weten ook, want hij vertelt aan ieder die het horen wil dat in het buitenland alles veel beter is. Dat doen zulke mensen wel meer.

Over de Nederlandse wetenschapsbeoefening is onze globetrotter niet erg te spreken. Zo bespeurt hij “een stuitend gebrek aan intellectuele nieuwsgierigheid onder wetenschappers [..]. De academische sfeer [..] is ronduit conservatief [..]. Het is allemaal weinig groots en meeslepend”. Voorts heerst hier een “antitheoretisch klimaat dat in stand wordt gehouden door een almachtige wetenschappelijke bejaardensoos”. Met die laatste blijkt, ietwat verrassend, de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen te zijn bedoeld. Nu gaat een hoogleraar godsdienstwetenschappen natuurlijk wat gemakkelijker om met de Almachtige dan een gewoon mens, maar om in de Akademie ook maar iets van almacht te bespeuren moet je toch wel een heel vreemde godsdienst belijden.

Dit alles ontleen ik aan interviews, maar Van der Veer heeft zijn opvattingen ook neergelegd in een boek: Modern oriëntalisme. Het is zijn eerste boek in het Nederlands, zo laat hij parmantig weten, want normaal schrijft hij in het Engels. Dit boek is echter “heel specifiek [..] op de geïnteresseerde leek in Nederland” gericht en daarom heeft hij voor één keer een uitzondering willen maken. Daar mogen wij wel dankbaar voor zijn.

Het boek bevat zeven bijdragen die door de auteur zelf als 'essays' worden aangeduid. Dit is een wel wat ambitieuze term voor de hier bijeen gebrachte, nogal schoolse en in onbeholpen Nederlands gestelde, lezingen en colleges. De 'essays' gaan, zoals de ondertitel zegt, over de Westerse beschavingsdrang en meer in het bijzonder over de zendingsdrang en het moralisme der Nederlanders. Je moet wel erg lang in het buitenland zijn geweest om te denken dat je iets origineels zegt, als je klaagt over het Nederlandse moralisme, de politiek van het geheven vingertje, de zendingsdrang van Pronk et cetera. Maar nog vreemder wordt het als die klacht komt van iemand die zelf zulke uitgesproken moralistische, ja typisch Nederlands-moralistische, tractaatjes schrijft.

Naast het Nederlandse moralisme is ook ons provincialisme iets dat Van der Veer erg dwars zit. Nederland is “heel weinig kosmopolitisch”. Dat geldt zelfs voor de Universiteit van Amsterdam, laat staan voor de Leidse. Daar heerst “een provincialisme dat Nederland centraal stelt, binnen Nederland Leiden en binnen Leiden de Leidse Universiteit”. Hier wordt onze nerveuze kosmopoliet slachtoffer van zijn eigen beeldspraak, want de mensen die 'Leiden' centraal stellen, bedoelen daarmee natuurlijk niet de brave gemeente van die naam, maar de universiteit die er is gehuisvest. Een geval van totum pro parte dus, in plaats van het meer gebruikelijke pars pro toto, om de stijlfiguur even uit te leggen aan iemand die bijna nooit in het Nederlands schrijft.

Wat is er nu zo verkeerd aan Leiden? Heel wat, maar vooral het feit dat daar een “soort koloniale geschiedenis” wordt beoefend “dat behalve in Nederland nergens meer zo bedreven wordt”. Dat is inderdaad heel ernstig. Je zou je overigens kunnen afvragen hoe zelfs iemand die zo bereisd is als de schrijver, kan weten dat iets 'nergens ter wereld' gebeurt. Maar dat zou kinderachtig zijn. De godsdienst leeft nu eenmaal van zekerheden.

Wel mogen ook wij, leken, ons afvragen hoe de geleerde tot zijn conclusie is gekomen. Hij geeft hiervoor twee argumenten. Het eerste is dat de Leidse historicus C. Fasseur een boek heeft geschreven over de vroeger in Leiden bestaande opleiding voor koloniale bestuursambtenaren. Uit dit feit zou volgens Van der Veer blijken dat Fasseur alleen geïnteresseerd is in “de eigen soort”. Kennelijk weet onze wereldreiziger niet dat in vrijwel alle landen ter wereld historische studies over universiteiten verschijnen en dat die vaak worden geschreven door mensen van die universiteiten zelf, van “de eigen soort” dus.

Nog bonter dan Fasseur maakt het echter een andere Leidse historicus. Deze probeert “een kritisch onderzoek van het Nederlands-Indische bestuur te relativeren” - ik zei al dat Van der Veer een onbeholpen Nederlands schrijft - en vindt “dat het jammer is dat het koloniale tijdperk afgelopen is”. Die historicus - het hoge woord moet er maar uit - dat ben ik. En degenen die aan deze opvattingen worden blootgesteld, zijn de lezers van deze krant. Van der Veer baseert zijn uitspraken namelijk op een column die ik hier op 13 april 1995 publiceerde. Ik schreef die column naar aanleiding van de mooie televisie-documentaire van Rudy Kousbroek, Het meer der herinnering.

Die documentaire liet onder andere beelden zien van de activiteiten van cultuurondernemingen in Indonesië. Ik maakte in dit verband een vergelijking tussen het werk dat die ondernemingen toen deden en dat wat oliemaatschappijen nu doen in landen als Brunei, Koeweit en Saoedi-Arabië. Die oliemaatschappijen zijn buitenlandse ondernemingen, vreemdelingen dus, zoals ook de koloniale ondernemingen in Indië dat waren. En net als die ondernemingen verdienen zij goed aan hun activiteiten. Dat doen, zoals bekend, de heersers van die landen ook. Die heersers zijn echter inheems en hebben daar dus in zekere zin meer 'recht' op. Maar ik ben toch geneigd te denken dat die buitenlandse ondernemingen een nuttiger rol vervullen dan die inheemse vorsten en concludeerde daarom in dat stukje dat vreemdelingen niet “per definitie slechter zijn dan de inheemse heersers”. Geen erg originele gedachte overigens, want Karl Marx dacht er ook al zo over.

Maar het is natuurlijk wel in strijd met de moderne devotie der tiersmondisten. Van der Veer schreef dan ook naar aanleiding hiervan: “Ik denk dat niet veel historici een dergelijke uitspraak zouden doen over de Duitse overheersing van Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog.” Je ziet hem er bij kijken met een blik van: “Zo die zit”. Maar je kunt je toch eigenlijk zelfs van een directeur van een Onderzoekscentrum Godsdienst en Maatschappij niet goed voorstellen dat hij echt meent dat het Nederlandse koloniale bestuur in Indië in de jaren dertig vergelijkbaar is met het bewind van de Duitse bezetter.

Nog onbegrijpelijker is het dat zo'n man niet inziet dat, als je al een vergelijking met Nederland wilt maken, je zou moeten veronderstellen dat de Nederlandse koninklijke familie de Nederlandse bodemschatten als haar privé-eigendom beschouwt en dat de opbrengst daarvan terechtkomt op de rekeningen van Paleis Noordeinde of Huis ten Bosch. Van der Veer schijnt veel in het buitenland te zijn geweest en hij geeft godsdienstwetenschappen, maar zelfs zo iemand zou kunnen weten dat dat niet het geval is.

    • H.L. Wesseling