Loting om een studieplaats is verreweg het beste systeem

De Erasmus Universiteit heeft een scholiere toegelaten tot de studie geneeskunde zonder de wettelijk voorgeschreven loting. E. Warries vindt dat verkeerd. Het stoort hem vooral dat de Rotterdamse universiteit uitkomsten van wetenschappelijk onderzoek aan haar laars lapt.

Als toenmalig voorzitter van de commissie die eind 1976 staatssecretaris Klein (Onderwijs) adviseerde om op lange termijn het systeem van gewogen loting voor de numerus fixus-studierichtingen (geneeskunde, tandheelkunde, diergeneeskunde) te handhaven, heb ik altijd belangstelling gehouden voor het onderwerp.

Het was telkens weer spannend om te lezen hoe een nieuwe minister of staatssecretaris op flinke toon zei dat de toelating tot de numerus fixus-studierichtingen gewijzigd moest worden. Doorgaans had hij daar een fris nieuw idee over. Na verloop van tijd bleek dat er niets veranderde. Het systeem dat onze commissie had voorgesteld bleef bestaan. Elk voorjaar riep wel iemand dat het niet deugde, want van onderwijs hebben we kennelijk allemaal verstand, maar de gewogen loting bleek op de lange termijn het best denkbare compromis. En dat deed me genoegen.

Zelf heb ik bijna twintig jaar over het onderwerp gezwegen, maar nu wordt het me echt te gortig. De Erasmus Universiteit in Rotterdam heeft een zeventienjarige kandidate in gijzeling genomen door haar buiten de wet toe te laten tot de medische opleiding. Waarom is dat erg? Nu ja, ik vind het persoonlijk verkeerd, maar ik hoef over die malligheid niet te schrijven, dat doen anderen wel.

Is het dan erg dat het bestuur van die universiteit op schijnheilige toon beweert dat de andere medische studenten van dat ene boventallige meisje geen last zullen hebben? Ook dat stoort me niet. Een bestuurder hoeft niet altijd de volledige waarheid te vertellen.

Nee, wat ik erg vind, wat ik echt het allerergste vind, dat zijn de recente uitspraken van de bestuurders over de achtergronden van dit geval. De opvatting dat je je, als vertegenwoordiger van een universiteit - waar kennis, wetenschappelijke waarheid, toch een beetje heilig is - geen bliksem hoeft aan te trekken van de uitkomsten van wetenschappelijk onderzoek.

Ik vind het beschamend dat de woordvoerder van een universiteit een op langdurig en herhaald wetenschappelijk onderzoek gebaseerd inzicht weghoont en belachelijk probeert te maken. Ik vind het beschamend dat een universiteit aan de eigen intuïtie meer waarde hecht dan aan de wetenschappelijke evidentie die telkens opnieuw door psychologen en onderwijskundigen wordt aangedragen. Zijn er geen psychologen en statistici aan de Erasmus Universiteit die de bestuurders en hun woorvoerder hadden kunnen behoeden voor domme uitspraken als “de waanzin van het geval”, “het domme lotingsysteem” en “talent weggooien”?

Nooit heb ik het als een belediging voor mij en mijn vroegere commissieleden opgevat als er door nieuwe bewindslieden, dappere politici of gefrustreerde ouders kritiek werd geuit op de door ons voorgestelde continuering en verfijning van het systeem van gewogen loting. Maar dat de top van een instelling van wetenschappelijk onderwijs zich op deze manier blameert, dat gaat me echt te ver.

Laat ik nog eens kort uiteenzetten waarop indertijd ons advies was gebaseerd, en wat onze bevindingen waren zoals we die in november 1976 aan de staatssecretaris van Onderwijs en Wetenschappen lieten weten. In essentie was ons advies (om de gewogen loting, die al bestond, te continueren en te verbeteren) gebaseerd op ons streven tot een praktisch bruikbare regeling te komen die rekening hield met de stand van de wetenschap.

Wij konden praktisch zijn, ja moesten dat zelfs, omdat de commissie breed was samengesteld. Er waren vertegenwoordigers van het middelbaar onderwijs en van de universiteit en er waren verklaarde voorstanders en felle tegenstanders van het lotingssysteem. Ik denk dat we vooral groot voordeel hebben gehad van de aanwezigheid van vertegenwoordigers van het VWO in de commissie. Daardoor werden we gedwongen ons te realiseren dat elke oplossing die we konden bedenken voor de toelating tot de medische en andere faculteiten (a) een grote invloed zou hebben op het voorafgaande onderwijs en (b) volstrekt helder moest zijn voor de eindexaminandi.

De psychologen in onze commissie behoorden tot de generatie die het naïeve zelfvertrouwen van de oude selectiepsycholoog hadden ingeruild voor een koelere zienswijze. Ze deden empirisch onderzoek en hadden de moed te erkennen dat het psychologisch of toetstechnisch onderzoek niet op alle vragen antwoord kon geven.

Het kostte dan ook weinig moeite om het erover eens te worden dat onze commissie zich zou baseren op wetenschappelijke publicaties over de voorspelbaarheid van studiesucces. Dat we ons daarbij niet alleen baseerden op de internationale literatuur, maar vooral keken naar Nederlandse onderzoeksresultaten, spreekt vanzelf. Een lid van de commissie, collega Hofstee uit Groningen, deed voor de commissie een onderzoek onder tweeduizend eindexamenkandidaten.

Wat waren onze voornaamste bevindingen? Dat de eindexaminandi aan loting of gewogen loting verre de voorkeur gaven boven een hernieuwde toetsing van kennis en inzicht, was naar mijn smaak een van de aardigste bevindingen. Waarom de leerlingen er zo over dachten, weet ik niet. Misschien vonden ze het vervelender om wegens domheid te worden afgewezen dan wegens pech.

Maar ten minste twee andere bevindingen uit het werk van de commissie leidden tot de conclusie, dat gewogen loting de beste oplossing op de lange termijn zou zijn. Ze kwamen uit het wetenschappelijk onderzoek aan de ene kant en de praktijk van het onderwijs aan de andere kant.

Uit het beschikbare wetenschappelijk onderzoek naar de voorspelling van succes in school en studie kon worden afgeleid dat een vergelijkend onderzoek naar kennis, inzicht of persoonlijke eigenschappen van de kandidaten geen rendementswinst van enige betekenis kon opleveren voor de medische faculteiten. Dat was zo in 1977, en er is niet veel veranderd sinds die tijd. Het is opmerkelijk dat in 1995 prof. Drenth, toen president van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen (KNAW), in zijn Duijkerlezing tot eenzelfde conclusie komt waar hij spreekt over de toelating in het algemeen tot de universiteit.

De derde bevinding - en persoonlijk neig ik ertoe die uit praktisch oogpunt de voornaamste te vinden - was, dat het toeleverende onderwijs (VWO) niet gesteld was op een van de twee pure vormen van toelating die toen in discussie waren, namelijk loting voor alle kandidaten of toelating voor degenen met de hoogste prestatie op het eindexamen of een toelatingsexamen. Uit praktische overwegingen hadden de VWO-instellingen daar groot gelijk in. Elk toelatingsmiddel van het opvolgend onderwijs, in dit geval de universiteit, heeft nu eenmaal zijn invloed op het onderwijs in de hoogste klassen van het voorafgaande systeem.

Toen ik voor het eerst door staatssecretaris Klein op het ministerie werd ontvangen zei hij, kennelijk als hoogleraar uit Delft tot hoogleraar uit Twente: “Meneer Warries, het zou goed zijn als u wat uitvindingen zou doen om dit probleem op te lossen.” Bij de installatie van onze commissie presenteerde hij ons al een idee van eigen vinding. Ministers zijn daar goed in, ideeën genoeg, zeker als het over onderwijs gaat, dan kunnen ze allemaal wel iets verzinnen. Nog deze week verkondigde de minister van Justitie met haar neus in de lucht dat de grote scholengemeenschappen moesten worden opgeheven, ook een leuke uitvinding.

Met onze commissie hebben we de moed gehad om géén uitvindingen te doen. We hebben gezocht naar een eenvoudig systeem, wetenschappelijk verantwoord, objectief, en begrijpelijk voor alle partijen, leerlingen, scholen en medische faculteiten. Dat systeem, de gewogen loting, heeft het tot op de dag van vandaag uitgehouden. Als een nieuwe commissie iets beters wil bedenken, zal ze het moeilijk krijgen.

    • Dr. E. Warries
    • Vergelijkende Kunde aan de Universiteit Twente