In Liefde Bloeyende

ELK TRACHT NAAR VOORDEEL

Een Krygsman tart den dood, om voordeel, in het veld;

Een Zeeman waagt zyn lyf, om voordeel, op de baaren;

Een Landman zal geen zweet, geen werk, om voordeel, spaaren!

Een Koopman zorgt en slaaft, en waagt, om voordeel geld.

Een Arts wordt middernagts, om voordeel, opgescheld;

Om voordeel ondergaat een Reiziger gevaaren;

Om voordeel koopt en slyt een Winkelier zyn waaren;

Om voordeel word de Deugd voor goud te koop gesteld.

Om voordeel ziet men stout den Ysbeer onder de oogen;

Het voordeel is het wit van wenschen en van poogen;

Het voordeel is by elk een allereerste pligt.

Ik zelf, ik schep vermaak om ook dien weg te kiezen

En maak, om voordeel, dit erbarmelyk Gedicht

Vermits ik anderszins vyf gulden zou verliezen.

Abraham de Haen (1707-1748)

Het voordeel wordt hier als iets verhevens bezongen, als iets waarzonder de wereld niet draait. Er zit in de lofzang een stijgende lijn: eerst gaat het om de krijgs-, zee-, land- en koopman, om specifieke beroepsgroepen, maar ook de deugd, de moed (IJsbeer!) en de plicht blijken het niet zonder voordeel te kunnen stellen. Nét als we ons door de dichter hebben laten overhalen komt hij met zijn laatste regel roet in het eten gooien. Zijn schamele 'vijf gulden' maakt dat we al het vorige voordeel opnieuw kritisch gaan bekijken, dat we met terugwerkende kracht in de majesteitelijke zelfverloochening van koop- en krijgsman vooral weer de kruimeldieverij en het geschraap zien.

Dit soort gedichten - hooggestemde gedachtenvlucht met banaal slot - duikt in de eerste helft van de achttiende eeuw met grote regelmaat op. Het zijn zonder uitzondering sonnetten. In mijn bloemlezing van de poëzie uit de 17de en 18de eeuw - de lezer zal me mijn onbescheidenheid vergeven - tel ik er zó een stuk of dertig.

Focquenbroch, nog volop zeventiende eeuw, is hier duidelijk de voorloper. Hij zet meteen de (burleske) toon. 't Maakt ook waarschijnlijk dat het om een van het buitenland afgekeken mode gaat, want Focquenbroch keek veel af.

Zijn sonnet spreekt over donder, wind en felle hagelbuien. Het klimaat is zo van streek dat de Alpen naar Afrika worden gekruid en de bliksem geld en klokken laat smelten. De zee is woeste hemel geworden en de hemel woeste zee.

In die gedenkwaardige toestand staan Mopsus en zijn vrouw op hun vingers te tellen wanneer hun bonte koe nu eens gaat kalven.

In een later sonnet, we zijn al in de achttiende eeuw, wordt gejammerd over de gifdood van de grote Alexander. Hoe onnatuurlijk en schandelijk werden voor hun stralende daden Hannibal en Titus en Mithridates en Cato beloond! Is het dan geen wonder, vraagt de dichter zich in de slotregel af, dat ze al de jonkies van onze grijze grauwe kat laatst zomaar in de slikvaart hebben verdronken?

Of er is een dichter - 't zal Harmanus van den Burg niet zijn - die schetst hoe Neptunus duizenden schepen naar de ondergang dreigt te helpen, hoe de zeelieden hun buit moeten prijsgeven aan Aeolus (in dit soort sonnetten is de klassieke mythologie haast verplicht), hoe een rukwind de ankers van een ganse vloot wegscheurt, terwijl ik, zo zegt de dichter, mijn anker neergooi in een nieuwe kroeg

En roep, ruim hallef vol: schrik, schrik van Klaverjassen.

Pieter Langendyk schildert een teder afscheid tussen het herderinnetje Filis en haar Mikon: er wordt geschreid van jewelste, maar aan het slot blijkt het om niet meer te gaan dan om een retourtje Amsterdam-Haarlem met de trekschuit.

Roeland van Leuven zet een Diederik in het zonnetje die een overvloed aan Peruaans goud zou bezitten en de allerbeste Franse en Rijnse wijnen in de kelder, die paarden door de stad zou hebben draven en wiens buitenhuis gevuld zou zijn met Jaspis en Robijn en met Schilderijen waarop al zijn Heldendaden stonden afgebeeld, ja die alles zou hebben en meer dan dat, mits hij niet, naar ons de slotregel leert, zijn geld er achteloos doorheen had gejaagd.

Bij een andere dichter lezen we dertien regels lang over de diepe indruk die het Amsterdams stadhuis (de tempel van Themis, het achtste wereldwonder) op hem heeft gemaakt, met als diepste indruk, in de veertiende regel, dat hij er onlangs nog zijn zakdoek heeft verloren. Of iemand beschrijft een volksoproer, en houdt ons zijn hele sonnet in spanning over wat er aan rampzaligs of gewelddadigs aan de hand kan zijn, terwijl er uiteindelijk slechts een kinderhoedje in het water is gewaaid. Of er wordt in een klinkdicht als in een Grieks koor geweeklaagd - koninkrijken vallen - tot blijkt dat enkel Hondje dood is. Of opnieuw, we zijn inmiddels halverwege de achttiende eeuw, is het klimaat van streek, ziet de zeeman zijn schip met buit en al vergaan, keren oceaan en hemel terug tot de chaos, terwijl Damon zijn tiende pijpje opsteekt en 's buurvrouws dochtertje het ABC bijbrengt. Nog één keer, bij Juliana Cornelia de Lannoy (1738-1782) leeft dit genre hevig op. Ze beschrijft de ondergang van Babylon, Nineve en al die andere steden in uiterst geëmotioneerde bewoordingen, en besluit met

Wat reden heb ik dan om zoo verbaasd te staan

Dat naa den trouwen dienst van acht of negen jaaren

Van mijn balijnenrok de haak is afgegaan?

Ineens is het afgelopen, de mode van deze sonnetten. Lang heb ik gedacht dat het feit dat ze me opvielen iets te maken moest hebben met mijn voorkeur voor gedichten met een knal, of op z'n minst een knalletje aan het slot. Voor gedichten met een slotregel die het hele gedicht opblaast, of ten minste in een ander daglicht stelt. Nu ja, zonder ingewikkeld te doen - dat het iets te maken had met de simpele lol om een teveel aan zwaarwichtigheid beentje te lichten, om het heilige en het verhevene absurd te laten lijken. Pas onlangs kwam ik te weten - uit een specialistisch boek - dat het bij dit soort sonnetten om een officieel erkend genre gaat. Sonnets du coude heten ze in de literatuurwetenschap, naar een gedicht van de Fransman Scarron, uit 1651. Dat gedicht ging over de Tijd die de Antieke Monumenten verteert, terwijl het uitliep 'op de slijtage aan de elleboog (coude) van zijn jas.'

'Typerend voor het sonnet du coude is dus', zegt de geleerde schrijfster, 'dat de berg in de slotzin een muis baart.' Hoe zullen we zulke achttiende-eeuwse sonnetten in het Nederlands noemen? Ik stel voor baleinenrok-sonnetten.

Hoepelrok-sonnetten. Men ziet, specialisme helpt. Iets benoemen helpt als je meer van poëzie wilt weten. Maar ook vóór er nog iets is benoemd - zonder kennis van genres en termen - kun je in de poëzie van alles ontdekken.