Het kaartspel van Schönberg

Arnold Schönberg (1874-1951) vond zichzelf zowel componist als schilder. Hij schilderde en tekende onder meer een indrukwekkende reeks zelfportretten. Aanvankelijk zijn het afbeeldingen van een kalende, zelfbewuste man, in de loop der jaren worden ze indringender, vager en mysterieuzer tot er nauwelijks meer overblijft dan een paar angstaanjagende ogen.

Soms staan die ogen ver uiteen op een vlekkerig vlak met pasteltinten en soms is er maar één oog, een donkere vlek, slechts herkenbaar wanneer men de vroegere schilderijen heeft gezien.

Als Schönberg niet had gecomponeerd en als zijn schilderijen een grotere bekendheid hadden gekregen, zou hij nu in plaats van een veelal verwenst componist van onaanhoorbare muziek een vermaard beeldend kunstenaar zijn geweest: de expressieve schilder van een oeuvre met een ontwikkeling, van dagelijkse realiteit naar demonische waan.

Schönberg heeft serieus overwogen om zich geheel te wijden aan het schilderen en meende zelf, daarnaar gevraagd ter gelegenheid van zijn 75-ste verjaardag, dat het artistieke belang ervan even groot zou zijn geweest als van zijn composities, waarmee hij de muziekhistorie beslissend beïnvloedde. Voor Schönberg was er geen verschil tussen componeren en schilderen: beide waren de uitdrukking van zijn emoties en ideeën. Hij meende dat zijn schilderijen, als ze bij het publiek bekend zouden zijn geweest, hetzelfde lot hadden ondergaan als zijn muziek, ze zouden zijn aangevallen, begrepen of niet begrepen. “Ik kon mijn gevoelens nooit goed verwoorden, daarom deed ik het in muziek of schilderijen.”

De schilderactiviteit van Schönberg was op zijn heftigst rond 1910.

Dat was een periode waarin hij veel componeerde, kamermuziek, maar ook de reusachtige Gurrelieder en de gierende Herzgewächse. In het Wenen van na 1900 liepen de werelden van muziek en beeldende kunst in elkaar over: Gustav Mahler had, vooral dankzij zijn vrouw Alma, belangstelling voor de 'Sezession', de Weense 'Jugendstil'. Schönberg was bevriend met Kandinsky en zijn schilderijen werden in Wenen geëxposeerd op de eerste tentoonstelling van Der Blaue Reiter in 1911. Schönberg bleef tot in de jaren twintig schilderen, maar geleidelijk aan stopte hij er vrijwel geheel mee. Wat hij bleef doen was een verheven vorm van geknutsel: hij maakte doosjes, laatjes, pennen- en kaartenbakjes en, om te variëren met zijn twaalftoonssysteem, rolletjes, schuifjes en kartonnen 'machientjes' met noten.

Dat geknutsel stond in een spelletjes-traditie: Schönberg ontwierp eerder een 'coalitie-schaakspel' met honderd velden voor vier spelers.

En omstreeks 1910, voor zijn twaalftoonsperiode, maakte hij een kaartspel met vier keer dertien kaarten. De strakke afbeeldingen herinneren aan het werk van Bart van der Leck en vooral aan dat van Vilmos Huszar. De kaarten met 'plaatjes' zijn soms op aandoenlijke wijze versierd met stippeltjes en vlekjes.

Een replica van het kaartspel werd in 1981 in Wenen uitgegeven voorzien van een toelichting door Schönbergs dochter Nuria Schönberg-Nono. Met haar familie overweegt zij nu de complete nalatenschap van haar vader over te brengen van het Arnold Schönberg Instituut in Los Angeles naar het Gemeentemuseum in Den Haag.

Staatssecretaris Nuis is gevraagd om een subsidie van 1,5 miljoen gulden. De Raad voor Cultuur vindt dat ons land die kans moet aangrijpen. In de nalatenschap bevinden zich onder andere Schönbergs manuscripten, schilderijen, brieven, knutselwerkjes en ook zijn speelkaarten.

    • Kasper Jansen