Eva apocrief

Over Eva, ons aller stammoeder, heeft de Bijbel welbeschouwd niet zo heel veel te melden. Genesis 1 vertelt van de schepping van het eerste mensenpaar en de opdracht die zij van God ontvangen. Hoofdstuk 2 geeft een wat langer relaas van de schepping van de eerste vrouw uit Adams rib.

In Genesis 3 - het verhaal van de zondeval en de verdrijving uit het paradijs - horen we twee maal haar stem: eerst is zij in gesprek met de slang. Later, als het kwaad geschied is, antwoordt zij schuldbewust op Gods vraag 'Hoe hebt gij dat kunnen doen?'. Pas in 3:20 wordt zij voor het eerst bij name genoemd: Eva, “want zij is de moeder geworden van alle levenden”. Hoofdstuk 4 deelt mee dat Eva Kain en Abel baarde, en later Set. Dat is, althans voor wat Genesis betreft, alles. Adams dood wordt geboekstaafd; de hare blijft onvermeld.

Voor middeleeuwse kunstenaars was het verhaal in Genesis wel de voornaamste, maar niet de enige bron. De hier gereproduceerde miniatuur van een vijftiende-eeuwse Brugse meester toont op de voorgrond een gebeurtenis die zich na de verdrijving uit het paradijs heeft afgespeeld. Adam heeft Eva voorgesteld dat zij boete zullen doen voor hun ongehoorzaamheid: hij zal veertig dagen lang zonder te eten tot zijn hals in het water van de Jordaan blijven staan, zij moet hetzelfde doen in de Tigris. Nadat Eva achttien dagen wenend in het water heeft gestaan, komt een engel haar het bericht brengen dat God haar vergeven heeft. Rillend klimt zij op de oever en begeeft zich naar Adam - die meteen begrijpt dat zij opnieuw het slachtoffer van de Boze is geworden. De miniaturist heeft dit aangeduid door onder de vermomming als engel Satans klauwen uit te laten steken.

Sinds de late Oudheid heeft in de joodse en christelijke wereld een uitvoerig verhaal over het leven van Adam en Eva gecirculeerd dat, direct of indirect, de uitbeeldingstradities in allerlei kunstvormen heeft beïnvloed. Zoals vaker voorkomt is het vooralsnog geen uitgemaakte zaak of de oorspronkelijke versie van dit verhaal in het Hebreeuws dan wel (op basis van joodse tradities) in het Grieks was geschreven. Een Hebreeuwse versie is echter niet overgeleverd; de Griekse, bekend onder de naam Openbaring van Mozes, lijkt het origineel het dichtst te benaderen, maar sommige andere vroege versies, met name de Georgische en de Armeense, hebben elementen uit een nog vroeger stadium van de tekstgeschiedenis bewaard. Het bestaan van de Latijnse versie, de Vita Adae et Evae, is vóór 730 in het Westen aantoonbaar.

De schrijver van het oorspronkelijke verhaal moet een literaire kunstenaar van formaat zijn geweest, een meester zowel in de compositie van het grote geheel als in de details. Een kapitale vondst is de situering van het verhaal: het speelt zich voor een groot deel af aan het ziekbed van Adam die, negenhonderddertig jaar oud, zijn einde voelt naderen. Hij roept zijn kinderen bijeen, die, omdat zij nooit iemand hebben zien sterven, aanvankelijk niet begrijpen wat hem mankeert. Vergeefs smeken Eva en haar zoon Set aan de poort van het paradijs om de olie der genade waarmee zij Adam willen zalven, maar de aartsengel Michael verklaart dat de mens die pas aan het einde der tijden deelachtig zal worden (in de christelijke Vita Adae et Evae volgt hier een interpolatie die de verlossing door Christus aankondigt). Adam vraagt Eva om in aanwezigheid van al hun kinderen en kindskinderen te vertellen hoe de Boze hen indertijd had bedrogen. Vergeleken bij het uiterst geconcentreerde verhaal in Genesis is Eva's relaas vol scherp getekende details. Als voorbeeld citeer ik een passage waar Eva vertelt hoe de duivel haar de eerste maal verleidde. Nadat hij haar had overgehaald om van de vrucht te proeven, draaide hij zich om en zei: “Ik ben van gedachten veranderd. Ik geef je niets te eten, tenzij je zweert dat je ook je man ervan zult geven.” Eva zwoer het. “En toen hij mijn eed gehoord had, overgoot hij de vrucht met het vergif van zijn slechtheid, dat is met begeerte, waaruit elke zonde voortkomt, en hij boog de tak neer tot de aarde en ik nam de vrucht en at ervan.” Toen zij opeens besefte dat zij naakt was, zocht zij naar bladeren om haar schaamte te bedekken, maar alle bomen hadden op het moment dat zij de vrucht naar haar lippen bracht, hun bladeren laten vallen. Met uitzondering van de vijgeboom - en dat was de boom waarvan zij had gegeten.

Voor het Leven van Adam en Eva en zijn verwante versies kan worden gezegd wat voor veel apocriefe en pseudo-epigrafische geschriften geldt: deze verhalen zijn veel te mooi om ze uitsluitend over te laten aan theologen en bijbelonderzoekers.

Voor meer informatie zie Michael E. Stone: A History of the Literature of Adam and Eve (1992).

    • W.P. Gerritsen