'De psychologie is weer rijp voor verandering'

De dominantie van meten en tellen leidt in de moderne psychologie tot verarming van het vakgebied, vindt Trudy Dehue, hoogleraar grondslagen en geschiedenis van de psychologie. 'Intensieve afweging en inzichtgevende analyse worden onmogelijk.'

Wat moet de psychologie doen? Het kennen van 'de innerlijkheid van het menselijke hart' door middel van 'begeertevrije ontmoeting' en intuïtieve wijsheid - zoals de Utrechtse school van F.J.J. Buytendijk (1887 - 1974) leerde? Of het voorspellen van menselijk gedrag door middel van streng gecontroleerde experimenten en statistiek - zoals de Amsterdamse school van A.D. de Groot (1914) voorschreef? “Kan ik niets voorspellen, dan weet ik niets”, aldus De Groot.

Tussen deze zogenoemde geestes- en natuurwetenschappelijke opvattingen van het vak psychologie woedde in Nederland tot eind jaren zestig een “enorme strijd”, aldus de pas benoemde hoogleraar grondslagen en geschiedenis van de psychologie in Groningen, dr. Trudy Dehue. Ze beschreef die strijd in haar proefschrift 'De regels van het vak' (1990), dat vorig jaar onder de titel 'Changing the rules' uitkwam in de Verenigde Staten. De kwantitatieve, experimentele richting won - net als elders in het westen. De heersende vooroorlogse Nederlandse opvatting, dat “slechts de genialiteit van de enkeling het fijnere reliëf van de menselijke persoonlijkheid kan ontdekken” werd ingeruild voor het beeld van de mens als “snijpunt van statistische variabelen”.

Buytendijk zag de psychologie-studie nog als morele en intellectuele scholing van de 'geestelijke aristocratie'. Maar nu wordt generaties studenten op de eerstejaarscolleges voorgehouden dat ze bij psychologie geen 'zelfkennis' of 'psychoanalyse' hoeven te zoeken, hen wachten statistiek en scherp geoperationaliseerde onderzoeksvragen. De Groots streng-empirische handboek'Methodologie. Grondslagen van onderzoek en denken in de gedragswetenschappen' (1961) is zo ongeveer de bijbel op de psychologiefaculteiten en -vakgroepen in Nederland. De psychologie heeft zich opgewerkt tot de algemene standaarden der wetenschap, is het gevoelen.

Maar misschien is de overwinning wel te groot geweest. Dehue plaatste in haar inaugurele rede in Groningen, eind mei, ernstige kanttekeningen bij de dominantie van de 'tellers en meters': “Als het erop aankomt, heeft verwijzen naar 'wat nu eenmaal de regels zijn', net als in de rest van het bestaan, nauwelijks overtuigingskracht”, zei ze in haar inaugurele rede. “Het idee dat er slechts één antwoord mogelijk is op de vraag wat wetenschap is, maakt het onmogelijk om na te denken over de eventuele beperkingen van het uitverkoren wetenschapsbeeld en over de maatschappelijke ethiek die ermee wordt vormgegeven en ondersteund.”

Terug naar de invoelende psychologie van Buytendijk, die statistiek afdeed als Herrschaftswissen, zou Dehue overigens niet willen - zo beklemtoont ze in haar kamer op het psychologisch instituut in Groningen. “Zijn opvattingen zijn nu vreselijk geneuzel. Maar het bewijst wel hoe sterk tijdgebonden wetenschapsopvattingen zijn, want toen gold Buytendijk wel degelijk als wetenschap. Mijn pleidooi is dat de psychologie nu weer rijp is voor veranderingen.”

Statistische zelfbeeld

Dehue's kritiek op het statistische zelfbeeld van de psychologie bestaat uit twee onderdelen. Ten eerste is de grote nadruk op de juiste methodologie helemaal geen noodzakelijk onderdeel van wetenschappelijke legitimiteit. “In meer gevestigde wetenschappen bestaat een zo sterke nadruk op standaard-procedures helemaal niet”, aldus Dehue. Maar liefst negentig procent van de psychologische leerboeken bevatten aparte methodologische paragrafen, bij natuurkunde is dat maar dertig procent, bij biologie ongeveer vijftig. En ten tweede dreigt door de strenge wetenschapsleer de psychologie nogal eenzijdig te worden. “Als procedures en getallen al te zeer de dienst gaan uitmaken, worden intensieve afweging en inzichtgevende analyse onmogelijk. Dit proces heeft zich in de psychologie in vergaande mate voltrokken. De mogelijkheid van een ander soort kennis wordt te niet gedaan”, zegt Dehue.

Vooral de theoretische en historische psychologie zijn de dupe, aldus Dehue. Het eerste vakgebied bestudeert kwesties als de vraag of het menselijk brein vergeleken moet worden met een computer. Historische psychologie is verwant aan mentaliteitsgeschiedenis, het bestudeert de geschiedenis van het psychische: hoe bijvoorbeeld veranderde het idee van identiteit in de loop der eeuwen? Dehue: “Net als mijn vakgebied, de geschiedenis van de psychologie, zijn dat beschrijvende en interpretatieve vakken, niet tellend of voorspellend. Maar niettemin waardevol.”

De dominantie van de kwantitatieve opvatting werkt door tot in de kleinste details, vertelt Dehue. “Er werd door onze Vakgroep Psychologie een formulier bedacht om de voortgang van het onderzoek van promovendi bij te houden. Maar de eerste vraag was: 'hoeveel van de data zijn reeds verzameld', en de tweede: 'hoeveel data zijn reeds verwerkt'. Ik heb dus echt moeten uitleggen dat dat niet het model van wetenschap is waarmee sommige van mijn aio's werken. Een van hen doet bijvoorbeeld een onderzoek hoe bij popularisering van de psychologie de grens met de niet-wetenschappelijke common sense telkens wordt overschreden en bepaald. In zo'n onderzoek kun je 'dataverzameling' niet scheiden van de rest van het werk.”

Ook in het groot werkt het door, zegt Dehue, in de criteria voor onderzoeksscholen, maar ook in het feit dat vooral de niet-kwantitatieve psychologie te lijden heeft onder bezuinigingen, “bijvoorbeeld nu weer de theoretische psychologie in Leiden”. “Dat is niet zo zeer zielig voor de mensen die in die vakgebieden werken, het is bovenal niet goed voor de psychologie als geheel.”

Het typisch psychologische experiment bestaat - kort samengevat - uit het afnemen van een test onder twee op grond van toeval samengestelde groepen mensen, vervolgens een bepaalde behandeling van de ene groep, en tot slot het opnieuw testen van beide groepen om te zien of er een bepaald verschil te vinden is. Zo'n 'behandeling' kan een bepaalde therapie zijn, maar ook een onderwijsprogramma of een voorlichtingscampagne. Dehue: “Ik heb onderzocht waar die experimenteervorm vandaan kwam. Ik dacht eerst uit de medische wereld, of de vergelijkende landbouwwetenschappen, omdat dat altijd in de leerboekjes staat.” Maar de wijze van experimenteren bleek te zijn bedacht aan het begin van de eeuw, door experimentele onderwijspsychologen in de Verenigde Staten. Later is ze in kleine stapjes steeds verder uitgewerkt door psychologen in dienst van Roosevelt's New Deal-projecten en het leger. De onderzoeksmethode werd niet overgenomen van andere wetenschappen, maar zelf ontwikkeld. De experimentele psychologie is dominant geworden omdat de expanderende verzorgingsstaat behoefte had aan geobjectiveerde beleidsevaluaties, is Dehue's conclusie uit de geschiedenis.

En zo transformeerde de invloedrijke Amerikaanse psychologie van een voornamelijk academisch-theoretisch georiënteerde wetenschap tot een voornamelijk praktisch en beleidsmatig gerichte discipline. Dehue: “De vraag naar de macht van regels in de psychologie, vergt een antwoord op de vraag naar de macht van regels in de maatschappij. De vorming van het huidige wetenschapsideaal van psychologie maakte deel uit van het zich steeds verder vestigende ideaal van een gereguleerde maatschappij.”

Toen eenmaal deze weg was ingeslagen, werd de methodologie steeds verfijnder. Dehue: “De Amerikaanse legerpsychologen gingen bijvoorbeeld de motivatie van de soldaten onderzoeken en de effecten van propagandafilms. En de belangrijkste conclusie was dat het nogal moeilijk is die effecten te meten, want er zijn altijd storende factoren, hetgeen weer leidde tot verdere uitwerking van de methodologie.” Een van die legerpsychologen, D.T. Campbell, stelde begin jaren zestig een gezaghebbende lijst op van twaalf 'validiteitsbedreigende' factoren, zoals de invloed van een vragenlijst vooraf op de beleving van het daaropvolgende experiment en de aantasting van de representativiteit door het werken met vrijwilligers. In de jaren zeventig breidde hij de lijst uit tot 33 factoren. Ook ontwierp hij de zogeheten 'quasi experimentele designs' - die een nog veel verdergaande methodologische regulering met zich meebrachten.

Neurotische paradox

De Nederlandse klinisch psycholoog J. Barendregt (1924-1982), sprak in dit verband van 'de neurotische paradox' van het experimentele onderzoek: om methodisch zuiver te kunnen werken, worden vaak noodgedwongen extreem detaillistische vragen onderzocht. Dehue: “Als onderzoek in Barendregts ogen methodologisch deugdelijk was, vond hij het niet relevant voor het leven buiten de wetenschap en dus voor de klinische praktijk. En was het relevant, dan was het niet deugdelijk. Je kunt meestal niet experimenteren met precies datgene waarvan je het effect wilt weten. Neem bijvoorbeeld de recente kritiek van Crombag en Merckelbach op de 'hervonden incest-herinneringen', hoe nuttig ook. Zij baseren die kritiek op onder andere geheugenexperimenten, maar de validiteit daarvan blijft onvermijdelijk discutabel. Jekunt nu eenmaal niet experimenteren met incest volgens het standaardmodel van een experiment in de psychologie.”

Op zoek naar voorbeelden van kwantitatieve psychologie bladert Dehue in een onderzoeksoverzicht van Groningse psychologen dat toevallig op haar bureau ligt. “Kijk, het effect van de reorganisatie bij de politie, attitudeverandering bij managers, regels voor sociaal gedrag bij jongeren en de evaluatie van bepaalde testen. Ik wil de waarde van dat onderzoek niet in twijfel trekken, maar waarom zou niet-kwantitatief onderzoek niet óók waarheid kunnen opleveren? En heus, ik hoef mijn eigen positie niet te verdedigen, die is hier in Groningen al veilig gesteld. Het gaat me om de vraag of een universele definitie van wetenschap verdedigbaar is. Is een nijptang beter dan een hamer? Het ligt er maar net aan waar je het voor gebruikt. Het is de overtuigingskracht die bepaalt of iets als wetenschappelijk aanvaard wordt. Er is geen gouden standaard. Het etiket'wetenschap' is gerechtvaardigd zodra een groep mensen erin slaagt anderen ervan te overtuigen dat er wetenschap wordt geleverd. Of hen dat lukt blijkt uit toegang tot wetenschappelijke laboratoria, uit universitaire aanstellingen, uit publicaties in wetenschappelijke tijdschriften, uit subsidiëring.”

    • Hendrik Spiering