Couzy draagt commando landmacht over aan Schouten; Zeer lastige bevelhebber slikte kritiek snel weer in

Hij was voor de politieke leiding de meest lastige bevelhebber die zij in jaren had gekend. Dat bleef zo tot de dag van zijn afscheid. Toch hielden de ministers Ter Beek en Voorhoeve van Defensie luitenant-generaal Henri André Couzy de hand boven het hoofd. Nederland kent geen traditie om generaals of admiraals aan te pakken. Voorhoeve en Ter Beek vonden bovendien dat zij Couzy te hard nodig hadden voor de ingrijpende herstructurering.

Voorhoeve vroeg Couzy zelfs een jaar langer aan te blijven omdat hij succes had met de afslanking en de herinrichting, terwijl de Partij van de Arbeid in de Tweede Kamer zijn vertrek eiste “omdat hij de politieke top weer eens voor joker had gezet”. De generaal regisseerde zelf vaardig zijn 'prikkelende optreden'. Volgens intimi op de Landmachtstaf verraste hij telkens vriend en vijand met zijn uitspraken. Kwam er tumult, dan was hij snel met zijn excuses. Zijn woorden waren dan verkeerd uitgelegd. Het was allemaal ingegeven door zorg om de manschappen. “Hij was uitermate behendig in het redden van het vege lijf, maar vond dat hij ver mocht gaan”, zegt een medewerker.

Eén keer maakte hij het zo bont dat de toenmalige minister Ter Beek hem een loyaliteitsverklaring liet ondertekenen. Dat was op 16 november 1992, vlak na zijn bevordering tot bevelhebber. In deze krant schreef hij op de opiniepagina dat zijn militairen het gevaar liepen alle hervormingen (meer dan honderd) binnen de landmacht niet te kunnen bijbenen. Hij maakte zich zorgen over de snelle afslanking van 65.000 naar 40.000 mannen en vrouwen. “De wijze van veranderen mag een mens niet vermorzelen”, aldus Couzy. De bevelhebber moest met de roodomrande pet in de hand Ter Beek beloven dat hij de herstructurering loyaal zou uitvoeren.

Een jaar later op de terugweg uit Split zocht hij in het luchtmachttoestel het volgestouwde compartiment van journalisten en cameralieden op en fluisterde hun achter de rug van de minister zijn 'militaire bezwaren' tegen de uitzending van Nederlandse troepen naar Bosnië in. Ook viel hij over de 'onvoldoende ruimte' voor het gebruik van geweld in Bosnië. Als bevelhebber wilde hij meer zekerheid. Diezelfde avond vroeg minister Ter Beek hem en chef Defensiestaf Van der Vlis op een 'zware' vergadering op vliegveld Valkenburg of zij konden instemmen met uitzending. Couzy veranderde als een blad aan de boom. De uitzending van het luchtmobiele bataljon had zijn volledige zegen.

De lijst met incidenten groeit. In januari 1994 verzet hij zich tegen het geven van luchtsteun door de NAVO aan de troepen in Bosnië. Op 21 juli 1994 waarschuwt hij in het Legermuseum het nieuwe kabinet alvast dat er “grenzen zijn aan de loyaliteit van het personeel”. Ter Beek was het met zijn uitlatingen niet eens, maar memoreerde dat de bevelhebber alleen zijn zorg had geuit en dat het geen dreigement was geweest.

Op 1 juni 1995 verzet hij zich vanuit Split tegen het zenden van Nederlandse versterkingen naar Bosnië. Minister-president Kok noemt zijn uitspraken “een opmerking uit de verkeerde mond en op het verkeerde moment”. Kok vervolgt: “Er is maar één minister van Defensie.” Maar Couzy hoor je opnieuw denken: “Er is ook maar één bevelhebber van de landmacht en dat ben ik. Mijn mannen mogen te allen tijde weten waar het op staat.”

Na de val van Srebrenica zegt Couzy aan de vooravond van de feestelijke huldiging van het uit Srebrenica verdreven 'Dutchbat' in Zagreb dat hem geen berichten over massale slachtingen onder de moslims hebben bereikt. Zijn superieur Voorhoeve heeft dan al bij herhaling gezegd dat er wel van genocide sprake is en ook minister Pronk is tot die conclusie gekomen.

In februari 1996 wordt Couzy weer gedwongen zijn excuses aan te bieden omdat hij zonder Voorhoeve in te lichten overste Karremans, de commandant in Srebrenica, tot kolonel heeft bevorderd. Op 22 januari houdt hij bij zijn commandanten vol dat dienstplichtigen tot eind 1996 moeten aanblijven om vervolgens vier dagen later in te stemmen met plannen van staatssecretaris Gmelich Meijling de opkomstplicht toch eerder af te schaffen.

Couzy vervulde sinds zijn indiensttreding in september 1957 veel staffuncties. Die carrière droeg bij tot zijn opvatting dat hij de plicht had zich in veel zaken te roeren als hem iets niet beviel. Daarmee dwong hij respect af maar zijn optreden wekte ook argwaan: waarom slikte hij iedere keer zijn kritiek meteen in als hij op het matje werd geroepen? Het zo snel terugkomen op die aanvankelijke kordaatheid wekte verwarring. Die kon de krijgsmacht slecht gebruiken op een moment van zoveel veranderingen, meent men op Defensie.

Nooit vielen andere bevelhebbers Couzy in het openbaar af, maar zij ergerden zich aan zijn optreden. Vice-admiraal Buis zei bij herhaling dat hij het anders zou doen. “Heb je kritiek op de beslissing van de baas, dan werk je dat binnenskamers af met alle argumenten die je hebt. Is het besluit eenmaal genomen, dan sta je daar achter en voer je het uit. Punt uit.”

    • Willebrord Nieuwenhuis