Voetbal en kunst

Er bestaat een merkwaardige overeenkomst tussen sport - voetbal met name - en de zogenaamde avantgarde-kunst. Zij hebben allebei zo stevig wortel geschoten in de Nederlandse cultuur, dat wie wil blijven meetellen in een beschaafde conversatie, er wijs aan doet niet te zeggen dat hij een broertje dood heeft aan een van die twee.

Voor de moderne kunst geldt dat al langer dan voor voetbal. Maar ook dit laatste heeft nu een welhaast verheven status bereikt. Tekenend was bijvoorbeeld de publicatie in het weekblad Vrij Nederland, vlak voor de Europese kampioenschappen, van een serie kleurenfoto's op dubbele-pagina-formaat van stukjes van acht Engelse voetbalvelden, schaal 1:1. 'Heilige grond', stond erbij (dat is een modeterm onder sportjournalisten). Je kon twijfelen: was dit kunst? Triviale cultuur? Het was een combinatie van beide, iets dat al sinds de dagen van Roy Lichtenstein in bepaalde kringen erg spannend wordt gevonden. Tegenwoordig mag de commercie er ook bij, zodat ernaast ongegeneerd op het thema inspelende (dus met overleg geplaatste) advertenties stonden.

Tijdens de afgelopen kampioenschappen viel op, hoe weinig er gemord werd tegen de schijnbaar alomtegenwoordige fascinatie voor alle details ervan. Sierden foto's van voetballers in een bubbelbad de voorpagina van de krant, debatteerden opinieleiders over het al dan niet verborgen racisme in het nationale elftal, geen mens verklaarde hardop dat hij dit belachelijk veel eer vond voor zo'n oninteressante, door en door commerciële gebeurtenis.

Dat stilzwijgen van de sceptici heeft zeker met vermoeidheid te maken. Voor columnisten is voetbalgekte zoiets geworden als treinreizigersleed of de vrouwenemancipatie. Afgekloven onderwerpen, waar je alleen in uiterste nood aan begint. Maar ik geloof dat hier ook iets anders bij zit, iets als angst om een onsportieve/elitaire/reactionaire zak te worden gevonden.

Die speelt zeker een rol in het geval van de moderne kunst. Neem een onberispelijke Nederlandse intellectueel als Gerrit Komrij. Hij, die vroeger zo vrolijk tekeer is gegaan tegen de onzin van de hedendaagse museumkunstenaars, mocht van de directie van het Stedelijk Museum een tentoonstelling uit de depots samenstellen. Een leuke zet van het museum; het resultaat is een prachtige expositie van figuratieve kunst, grotendeels uit de jaren 1880-1940.

Maar uit interviews en andere teksten blijkt dat gelegenheidsconservator Komrij zich ernstig bezorgd maakt over één ding: dat men zal denken dat hij, als liefhebber van al dat figuratieve fraais, tegen moderne kunst is. Stel je voor. Terwijl Komrij, zoals hij tegen Het Parool zei, gewoon nog niet toe is aan de modernste kunst, hij is er 'nog te dom voor'. Eenvoudig en begrijpelijk hoeft het van hem niet te zijn: 'Wat dat betreft heb ik meer affiniteit met de Fuchsen dan met de Kraaijpoelen of Draaipoelen of hoe die man ook mag heten die zo tegen de abstracten tekeer gaat.' Zo, Komrij zit alvast in het goede kamp. Beschamende woorden voor iemand naar wiens ideeën over kunst - ook moderne - menigeen oprecht benieuwd is.

Er blijft natuurlijk verschil tussen voetbal en de avantgarde-kunst. Zo zal het de voetbalbazen een zorg zijn wat het Vrij Nederland lezende, museumbezoekende deel der natie over ze denkt. Zolang 'het falderappes' maar gebiologeerd blijft kijken naar hun grote geldmachine, draait die wel door. De hedendaagse kunst daarentegen, althans wat daar de aandacht trekt, verbeten grenzen verlegt en overheidssteun krijgt, lééft bij gratie van 's mensen vrees om voor reactionair te worden uitgemaakt.

Het zou allemaal niet ernstig zijn als niet iemand tekort werd gedaan. Dat zijn de hedendaagse kunstenaars die wel interessante kunst maken, figuratief of niet. Kunstenaars die, zoals tussen 1880 en 1940 nog heel gewoon was, lang en hard aan dingen werken, wetend dat er geen grens zal worden verlegd; zij zijn op moeilijker dingen uit. Zulke kunstenaars zul je in het Stedelijk, als het aan voorzichtigerds als Komrij ligt, de eerste jaren wel niet aantreffen.

    • Ileen Montijn