Veel genetwerkt, weinig smoel

Wat is er mis in Nederland? Op verzoek van deze krant beschrijft een aantal jonge academici wat er hoognodig moet veranderen in dit land. Eerste deel in een korte serie.

Het begrip 'carrière' is tegenwoordig niet vies meer, en dat is een slechte ontwikkeling. Op universiteiten zoemt het van modewoordjes als 'netwerken' en 'ceevee', en een beetje twintiger probeert zo snel mogelijk ergens een vaste baan te krijgen. De jaren negentig zijn immers een onzekere tijd, en de angst om over te blijven zit er stevig in bij veel jongeren. Als ze die zelf al niet voelen wordt hij hun wel opgedrongen door hun omgeving. Een goede vriend van mij, 25 jaar oud, wordt door zijn ouders achtervolgd met de vraag of hij al iets doet aan een goede pensioenvoorziening. Bestaan doe je bij de gratie van een baan.

Na het failliet van de grote idealen, gesymboliseerd door de val van de Muur in 1989, zijn jongeren 'behoudend, nuchter en calculerend' geworden, zoals het enquêtebureau Inter/View enkele jaren geleden concludeerde. De tijd dat je jeugd een mogelijkheid was om eigen fascinaties uit te diepen en na te gaan wat je nu echt wilde doen met je leven is voorbij. Het merendeel van de jongeren is weer gewoon gericht op traditionele waarden als geld verdienen en een gelukkig gezinsleven hebben.

Wat deze mentaliteitsverandering heeft opgeleverd werd onlangs geschetst in de Groene Amsterdammer. Daar werd een aantal academici van rond de dertig, volwassen geworden met de geest van het nieuwe materialisme, geportretteerd onder de verzamelnaam 'joepie': Jong, Ondernemend, Eigenzinnig en Prestatiegericht. Het leverde een vermakelijk portret op van een groep mensen die bereid is in alles te handelen - als het maar geld oplevert. Zo was daar Bert (30), die iets met trainingen en opleidingen deed, en daarover zei: “Ik lul mijn produkt wel naar binnen. Ik onderneem met mijn benen wijd. Tien jaar buffelen, dan kan ik mijn bedrijf verkopen en ben ik binnen.”

Grote bedrijven spelen handig in op de angst van veel jongeren om over te blijven. Ze eisen van nieuwe, jonge werknemers dat ze een studie hebben afgemaakt, werkervaring hebben en bij voorkeur ook het juiste sociale leven hebben geleid. Ondernemingen als AKZO, Shell en Arthur Andersen scouten op universiteiten tijdens zogenaamde 'carrièredagen' of 'bedrijfsweken' om de beste studenten er voor de toekomst alvast uit te pikken. Die doen er op hun beurt alles aan om een goede indruk te maken op een mogelijk toekomstige werkgever.

Keurig uitgedost in pak of mantelpak, stralend van ambitie, lopen de begin-twintigers daar rond. Allemaal vastberaden om, zoals een van hen mij vertelde, “alvast een voorsprong te nemen voor de tijd dat ik afstudeer”. Wanneer ze erin slagen die felbegeerde baan te veroveren gaat de race gewoon door. Zoals een recrutor van het Amerikaanse managementadviesbureau Arthur Andersen het mij eens uitlegde: “Bij ons is het doorstromen of wegwezen. Als je niet doorstroomt ben je out, of upper-out.”

Veel jongeren laten zich gek maken door dergelijke turbo-kapitalistische retoriek. Ze krijgen van overheid en bedrijfsleven te horen dat dit toch vooral een moeilijke tijd is, waarin niets meer vaststaat, en waarin je maar beter zo vroeg mogelijk aan je toekomstige baan kunt gaan denken. Vervolgens gaan ze elkaar opjutten om zo snel mogelijk de zekerheden veilig te stellen waar hun ouders prat op gingen: eigen baan, eigen huis, eigen auto. Wie heeft er het best gevulde CV, wie heeft er voor zijn twintigste al een eigen bedrijf? De economische onzekerheid van de jaren negentig creëert zo een stijgend aantal bange, volgzame kwezels, die zó op hun carrièreperspectief gefixeerd zijn, dat ze nauwelijks nog de tijd nemen uit te vinden wat ze leuk en belangrijk vinden in hun leven. Het is de CV-generatie: wel genetwerkt, maar nooit een smoel gekregen.

Toen ikzelf kort geleden ergens stage liep, fluisterden leeftijdgenoten mij toe: “Je moet proberen na je stage te blijven. Een vaste baan krijgen. Je toekomst veilig stellen.” Het klonk als een Postbus 51-spotje. Waarom zou ik op mijn drieëntwintigste in godsnaam mijn toekomst veilig willen stellen? Om er zeker van te zijn dat ik over tien jaar hetzelfde doe als op dit moment, en elke dag met dezelfde trein naar dezelfde plek reis?

Ik zou graag nog wat meer van de wereld zien, vaste baan of geen vaste baan. Er spreekt iets verkrampts uit, al die jonge mensen die rond hun twintigste al proberen te bedenken waar ze drie jaar later aan de slag kunnen komen. Ze laten zich opjutten door een maatschappij die alsmaar strakker gepland wordt en waar het begrip 'bestaanszekerheid' steeds meer wordt gezien als reddingsboei voor een onzekere toekomst.

De jacht op de banen en een goed gevulde portemonnee komt uiteindelijk slechts een klein groepje ten goede. Maar de mentaliteit die het creëert ondergraaft de maatschappelijke solidariteit over een veel breder niveau. Onlangs heeft het Sociaal en Cultureel Planbureau gewaarschuwd dat de tweedeling in de Nederlandse samenleving steeds grimmiger trekjes krijgt.

De laagste inkomens zijn er de afgelopen tien jaar op achteruitgegaan door het tijdelijk loslaten van de koppeling tussen minimumloon en uitkeringen, terwijl het aantal veelverdieners fors is toegenomen. De laatsten willen en kunnen weinig anders meer dan werken, en krijgen steeds meer de neiging om zich af te schermen.

Onder de noemer 'De Overklasse' portretteerde het maandblad Quote onlangs een aantal van zulke professionals. Ze zijn rond de dertig jaar oud, wonen in residentie-achtige complexen langs de gracht of in het groen, en hebben geen zin meer om hun Porsche in Almere te parkeren. Aan vakanties doen ze niet, want “druk, druk, druk”.

“Ze zijn enorm gefixeerd op hun carrière”, zegt Bert Barends van het reclamebureau Job Company/Campaign over de nieuwe elite. “Daar wordt alles voor opzij gezet.” De maatschappelijke betrokkenheid van deze toplaag is volgens Barends buitengewoon laag, net als hun interesse in cultuur.

Toch hebben ook zij het knagende gevoel van onzekerheid niet kunnen uitbannen. Het ruimverdiende geld wordt weggestopt in hoge spaarquotes en beleggingen, en zelf verschuilen zij zich in peperdure woonforten langs Amsterdamse grachten. “Wat mij nog het meest frappeert”, aldus Barends, “is dat het aantal werkuren onder jonge professionals zo is toegenomen. Bij een Amerikaans bureau als Arthur Andersen zit het iedere zondagmiddag halfvol. Ze hebben nergens tijd voor. Ze kijken nog het liefst naar All you need is love.”

In het huidige postindustriële tijdperk, waarin langdurige werkloosheid een structureel gegeven is, zouden jongeren er goed aan doen na te denken over andere vormen van zinvolle tijdsbesteding dan die ene, heiligmakende Baan. Op wat voor andere manieren kunnen we onze tijd creatief invullen wanneer er even geen nine to five basis is waarop we elke dag kunnen terugvallen? Wie willoos achter het nieuwe arbeidsethos aanrent, wordt uiteindelijk bang voor zijn eigen vrije tijd. Het wachten is dan op de midlife crisis, die zo rond het dertigste levensjaar zal toeslaan.

    • Joris Abeling
    • Publiceerde 'Teloorgang
    • Wederopstanding van de Nederlandse Monarchie