Soms is al het bonkige beulswerk voor niets

NOGENT-SUR-OISE, 3 JULI. Goede knechten zijn beren van kerels met bonkige dijen die hun kopman zo veel mogelijk uit de wind houden. Vooral in de laatste kilometers van een vlakke etappe verrichten ze beulswerk voor een massasprint. De rapste knecht moet zijn spurter in de ideale positie manoeuvreren. Als hij eenmaal in stelling is gebracht, luisteren zijn ploeggenoten naar de reactie van het publiek om te vernemen wie er gewonnen heeft. “Als je geen Nederlanders ziet juichen, weet je dat het mis is”, zegt Bart Voskamp.

Na de derde etappe van de Tour de France moest Voskamp concluderen dat het vuile werk allemaal voor niks was geweest. Jeroen Blijlevens werd vijfde in Nogent-sur-Oise. De Duitser Erik Zabel won de sprint en de Fransman Frederic Moncassin mocht dankzij verdiende bonificatieseconden de gele trui om de schouders hangen. Voor de knechten van Blijlevens resteerde de troost dat er vandaag en morgen nog twee etappes volgen om de kopman aan zijn felbegeerde zege te helpen.

Voskamp behoort tot de acht coureurs die Blijlevens in bescherming moeten nemen. De taakverdeling is elke dag dezelfde. Maarten den Bakker en Jesper Skibby bepalen hoe er wordt gereden, de andere vijf helpers voeren de commando's uit en houden Bijlevens zo veel mogelijk uit de wind. De Belg Peter van Petegem is de laatste helper, hij probeert de sprintspecialist in ideale stelling te brengen. “Misschien hebben we het te rustig aangepakt. We hebben het inititiatief te veel aan de anderen overgelaten”, zegt Van Petegem.

Voskamp heeft de neventaak om elk gevaarlijke ontsnapping van een tegenstander ongedaan te maken. Voor het duw- en trekwerk lijkt hij minder geschikt. Hij is een lange slungel met mooie blauwe ogen, die in zijn vrije tijd een rond brilletje draagt. Voskamp is geen stotterende stoemper maar een welbespraakte knecht. Hij weigert de moed al op te geven.

“Elke sprint is anders. Kijk maar naar Zabel die de eerste twee dagen nergens te bekennen was. Wij hadden de pech dat een paar jongens in het zand werden gereden. Een keer remmen en het is voorbij. Dan ga je van 70 naar 30 kilometer per uur en kom nooit meer bij helemaal voorin. We hoeven elkaar niks te verwijten. We zitten al tien jaar op de fiets en weten echt wel waar de kneep zit.”

De excuses voor het teleurstellende resultaat waren voorspelbaar. Het langzame tempo in de aanloop naar Nogent-sur-Oise betekende meer concurrentie in de slotfase. De felle tegenwind was beter geschikt voor sterke mannen als Zabel en Cipollini. En het licht stijgende laatste rechte eind speelde dezelfde krachtpatsers danig in de kaart. Nog even en de TVM'ers noemen het droge weer als aantoonbaar nadeel voor hun kansen in de massasprint.

Blijft de vraag waarom de meeste knechten aan het eind van de etappe niet in beeld kwamen. De uitglijder van Skibby was een nadeel, maar geen geldig excuus voor het collectieve falen. Terwijl de rijders van Saeco (Cipollini) en Telekom (Zabel) het tempo opschroefden, hielden de hulpkrachten van Neerlands beste spurter zich schuil in de grote groep. De kopman zelf zat een paar honderd meter voor de eindstreep in zevende stelling en gokte op het wiel van de vlugge Jan Svorada. Verkeerd gegokt, wist Blijlevens. De Tsjech kon hem echter niet snel genoeg voor zijn karretje spannen.

Blijlevens ontbeerde de hulp van sterke knechten, maar daar zul je hem niet over horen klagen. Wanneer een sprinter zijn helpers openlijk gaat beschuldigen, verdwijnt het wederzijdse vertrouwen. Een goede sfeer is de basis voor succes, weten ze bij TVM. De kopman moet vertroeteld worden, zeggen alle veteranen die het kunnen weten. Blijlevens heeft gisteravond in zijn hotel ongetwijfeld een paar schouderklopjes gekregen.

Ploegleider Cees Priem is geen man van de zachte hand, hoewel hij opmerkelijk genoeg veel zachtaardige personen om zich heen verzamelt. De meeste TVM'ers zijn net als Blijlevens en Voskamp lichtgewichten die er vergeleken bij de concurrentie als junioren uitzien. De Deen Bo Hamburger is een kleine klimmer, de Rus Vladimir Poelnikov is al niet veel groter en Van Petegem ziet er van dichtbij een stuk minder imposant uit dan zijn donkere wenkbrauwen van een afstand suggeren.

Priem kiest voor een ploeg die sterk is in de breedte: met klimmers, rouleurs en een echte sprinter. De ontwikkeling in het hedendaagse wielrennen gaat uit van een andere aanpak. Neem een uitblinker en bouw daaromheen een ploeg die alles voor de kopman over heeft. Cipollini mag bij Saeco zijn eigen knechten uitzoeken. De afwezigheid van zijn vaste aangever Martinello laat zich in de Tour nauwelijks gelden. Het resterende achttal doet nauwelijks voor hem onder. Bij Telekom heeft Zabel minder macht, maar hij weet zich wel gesteund door een paar Duitse en Deense krachtbeulen.

“Als je zoals ik een Touretappe heb gewonnen, kun je niet meteen eisen dat ze een hele ploeg om je heen bouwen”, zegt Blijlevens. Het verschil tussen een kopman met status en een kopman wiens erelijst nog heel wat aanvulling behoeft. De Nederlander moet het allemaal nog waarmaken en heeft de hulptroepen niet voor het uitzoeken.

Aan zijn geringe lengte valt weinig meer te sleutelen. Krachttraining is een oplossing om het gebrek aan stootkracht op te heffen, maar krachttraining draagt altijd het risico in zich dat het de verkeerde spieren versterkt. Blijlevens waakt ervoor om door overhaaste training zijn 'pure acceleratie' kwijt te raken.

Blijlevens wordt vergeleken met de Amsterdamse sprinter Theo Smit, die in 1975 in de Tour twee massasprints wist te winnen. Smit werd wel de katapult genoemd, een sprinter die vanuit het wiel van een ploeggenoot of een tegenstander razendsnel naar voren rijdt. Blijlevens (24) ontbeert de macht om net als Zabel en Cipollini zonder ruggesteun de sprint aan te trekken.

Het excuus van zijn geringe ervaring ging gisteren maar ten dele op. De voormalige Oostduitser Zabel, die vorig jaar twee ritzeges behaalde in de Tour, is slechts een anderhalf jaar ouder dan de renner die vandaag wederom op revanche belust is. “Het wordt steeds moeilijker, maar ik geef de moed nooit op. Hoe spannender, hoe beter ik me voel.”

    • Jaap Bloembergen