Seizoen en weldoen

Zou er een verband bestaan tussen gematigde opvattingen en gematigde luchtstreken? Je zou het kunnen denken, als bewoner van het noordwestelijk deel dezer wereld. Maar historisch gesproken gaat die vlieger niet op. Want de plekken waar de diverse wiegen van uiteindelijk ook onze beschaving hebben gestaan - aan de Indus, aan de Eufraat en de Tigris, aan de Nijl - wijzen wel anders uit.

Goed, andere vraag dan. Zouden allerhande nobele respectievelijk waakzame organisaties - zoals het onberispelijke Universitair Asyl Fonds te Utrecht, Natuurmonumenten, het onontbeerlijke tijdschrift Index on Censorship te Londen, Greenpeace, Artsen Zonder Grenzen, en uiteraard Amnesty International - instellingen dus die bestaan bij de gratie van het geweten en de girorekening van een massa particulieren - die zich daarbij wellicht ook een heel klein beetje laten leiden door een zekere welwillendheid van de fiscus tegenover giften en schenkingen - welnu: zouden zulke organisaties bekend zijn met de seizoenen?

Zouden zij bijvoorbeeld weten: de maand voor donaties, dat is natuurlijk december? Want daar komt alles bij elkaar: een restje christendom, een jaar dat op zijn eind loopt, welvaart die in de spiegel kijkt? Het seizoen van de goedheid, zou dat de winter wezen? En omgekeerd: zijn wij in de zomer op ons smalst, om niet te zeggen op ons onzichtbaarst, voorzover het om zoiets als filantropie gaat?

Een bijzondere leerstoel, inzake de economie van het ethisch gedrag, zou die bestaan? Ik zou graag de curves en de wetten kennen van mijn en andermans jaarlijkse ontvankelijkheden en opwellingen. Maar ook zonder enig onderzoeksresultaat van de ethisch econoom ben ik er eigenlijk al half van overtuigd, dat de zomer een kwalijk seizoen moet zijn. Ook het geweten wil wel eens met vakantie. Een maand vrijaf van het wereldleed, dat moet toch kunnen.

Ik merkte het aan mezelf, toen ik in een boekwinkel een recente uitgave zag liggen, A Glimpse of Hell, met als ondertitel Reports on Torture Worldwide. Ik pakte het boek en bekeek de inhoudsopgave. Dertien hoofdstukken, van verschillende handen. Een van de hoofdstukken was getiteld 'The Torturers'. Ik las de eerste alinea, die het verslag was van een reeks martelingen van een Tunesisch slachtoffer - dat het dus goddank overleefd had; een lichter geval, wat dat aangaat. Ik walgde en legde het boek weer terug.

Maar waarom? Moeilijk te zeggen. Een mengsel van: 'Dit weet ik wel' en 'Dit wil ik helemaal niet weten'. Een mens wil niet zomaar contextloos walgen. Dat vormt al direct een centraal probleem als het gaat om de ontvankelijkheid voor het soort van berichten waar het bij organisaties als Amnesty om begonnen is. Want bijna niemand acht het zijn taak, als sympathisant van een mensenrechtenorganisatie zoals Amnesty International, om meer of minder gedetailleerde beschrijvingen van martelingen ter kennis te nemen. Zulke lectuur krijgt al snel iets schichtigs - iets zelfs dat de verdenking zou kunnen wekken van een zekere behoefte aan perversie.

Er bestaat nu eenmaal een grote en zelfs schokkende tegenstelling tussen de verfijnde aandacht waarmee wij een roman of een gedicht lezen, en de globale, min of meer haastige, onveranderlijk schuldig stemmende slordigheid waarmee we zo nu en dan, eens in de zoveel tijd, bij toeval, eigenlijk onverhoeds, een glimp opvangen van de hel. Dat zijn nu eens geen grote woorden, in dit verband. En als titel voor een boek over dit soort kwesties kan aan A Glimpse of Hell een grote accuratesse dan ook niet ontzegd worden.

Maar ik wilde het boek niet hebben, zoals gezegd. Een paar dagen later las ik in het dagblad Trouw een bespreking ervan die me opnieuw schokte. In het artikel werd vooral dit aspect eruit gelicht, dat het juist de Westerse democratieën zijn - genoemd werd Engeland - die de nieuwste snufjes op het gebied van de technologie van het martelen ontwerpen en exporteren. Naar de landen, uiteraard, die wij zo graag en zo veelvuldig aan de schandpaal nagelen vanwege hun smerige politieke, justitiële en politionele praktijken.

Ik was geschokt en vond mezelf naïef.

Want, vanzelfsprekend, ook hier achter zat - zoals altijd - een kleine tak van hoogwaardige industrie. In rustige villawijken moeten keurige dames en heren wonen die 's morgens op tijd naar hun werk gaan en tegen het avondeten weer terugkeren van datzelfde werk. Werk, dat hun hoogst specialistische bijdrage vereist. Het kan niet anders of er moeten artsen aan te pas komen, ingenieurs, vormgevers, machinebankwerkers, elektriciens en loodgieters, vertegenwoordigers en installateurs.

Er moeten showrooms zijn voor martelkamers. En, wie weet, ook tekstschrijvers en grafici: voor het maken van de verzendcatalogus. Die vertegenwoordigers, zo stelde ik me voor, doen wat vertegenwoordigers plegen te doen. Ze stappen in en uit vliegtuigen. Met in hun attachékoffertjes wellicht hoogglans kleurendrukwerk. Zij gaan lunchen met weldoorvoede heren, die misschien niet geüniformeerd zijn, maar daarom nog niet minder in het genot van een hoge militaire of politionele rang. Men gaat doen wat in het zakenleven te doen gebruikelijk is. Namelijk onderhandelen. Over speciale kortingspercentages, over garanties, over leveringscondities.

Het is beklemmend om te bedenken. Maar op de een of andere dag, in een niet heel verre toekomst, zal er ergens in de Derde wereld iemand gearresteerd worden, van zijn bed gelicht, of opgewacht; iemand die zijn stem heeft laten horen. En in Engeland, of misschien ook wel Nederland, is een jaar of zo daarvoor de laatste hand gelegd aan het een of andere nieuwe model, waaraan bepaalde oude marteltechnische bezwaren niet langer kleven. De cipiers krijgen al les in het gebruik. De opgepakte persoon zal degene zijn op wie de splinternieuwe martelkamer wordt uitgetest, de figurant in een première.

Dit zijn maar primitieve bedenksels, toegegeven. Want ik weet niet hoe het gaat. Het lijkt me hoe dan ook een vruchtbaar terrein voor onderzoekende journalistiek; die dan hopelijk zal kunnen leiden tot scherpe restricties, liefst verboden, met betrekking tot dit soort internationale handel.

Te midden van deze morose overpeinzingen overkwam het me, door een gelukkig toeval, dat ik kennis maakte met de persoon en het verkwikkende werk van de Syrische auteur Sadik al-Azm. Hij is werkzaam als filosoof aan de Universiteit van Damascus en was, binnen de Arabische wereld, naar ik meen de eerste maar hoe dan ook zeer vroege verdediger van het werk van Salman Rushdie. Korte inhoud van het over twee weken aan hem te wijden stuk: leve Sadik al-Azm.

    • Nicolaas Matsier