Korter werken fiscaal stimuleren

Het artikel 'Twintig procent korter werken, dan dertig procent minder loon' van B.M.S. van Praag (NRC HANDELSBLAD, 11 juni) moet wel reactie uitlokken. Werkweken van ruim boven de 40 uur zijn misschien gemeengoed in sommige (vrije) beroepen of in hogere functies, maar zijn bepaald problematisch in een samenleving die een antwoord tracht te vinden op de hoge werkloosheid en de ongelijke verdeling van betaalde en onbetaalde arbeid.

Volgens Van Praag is het niet uit te sluiten dat in sommige gevallen de produktiviteit bij arbeidsduurverkorting terugloopt en dus de kosten stijgen. Om onze concurrentiepositie niet in gevaar te brengen zou in dat geval de beloning per uur moeten worden verlaagd. Van Praag wil per functie vastgeleggen hoe de relatie ligt tussen arbeidsduur en beloning per uur.

Een dergelijk stelsel betekent in feite een algemene invoering van de nu voor veel banen vastgelegde overwerkpremies voor avond-, nacht- of onregelmatig werk. Immers, in dat geval worden uren boven de standaardnorm hoger beloond; in het voorstel van Van Praag worden de uren onder de standaardnorm lager beloond.

Zijn voorstel is echter economisch slecht onderbouwd en juridisch ondoordacht. Korter werken betekent in veel gevallen helemaal niet minder produceren. Integendeel. Werknemers met een deeltijdbaan zijn over het algemeen zeer gemotiveerd, leveren hoge kwaliteit en kennen een laag ziekteverzuim. Internationaal vergelijkend onderzoek onder ruim 3.500 managers in acht Europese landen leert dat de ervaringen met deeltijdarbeid overwegend positief zijn.

In juridisch opzicht lijkt het voorstel van Van Praag ondoordacht, omdat hier sprake kan zijn van indirecte discriminatie naar geslacht. Volgens het Hof van Justitie te Luxemburg (zaak-Danfoss) kunnen individuele toeslagen op grond van onder andere het criterium 'mobiliteit' vrouwelijke werknemers benadelen, aangezien zij als gevolg van zorgtaken over het algemeen minder mobiel zijn dan mannen. Conclusie: het criterium mobiliteit leidt tot een vermoeden van indirect onderscheid en eenzelfde vermoeden ontstaat indien - zoals Van Praag voorstelt - een advocaat die dag en nacht oproepbaar is 100.000 gulden krijgt, terwijl een advocaat die 'slechts' van negen tot halfzes beschikbaar is het met 60.000 moet doen.

Wat moet er dan gebeuren? Er moet in ieder geval geen boete (in inkomen, rechtspositie of carrièreperspectief) komen te staan op korter werken. Juist gegeven de maatschappelijke voordelen van een betere verdeling van (betaalde en onbetaalde) arbeid zou korter werken voor zowel vrouwen als mannen mogelijk moeten zijn.

Het huidige wetsvoorstel om te komen tot een verbod op het maken van onderscheid naar arbeidsduur betekent een belangrijke stap in de goede richting. Daarnaast is het van belang werkgever die banen creëren van 32 uur per week, fiscaal te belonen. In dat geval zou de slogan dus kunnen luiden: twintig procent minder werken, dan dertig procent minder kosten.