Eén gevallen staatssecretaris is nog geen 'paarse' cultuur

Het paarse kabinet wil een 'open' verhouding met het parlement, en het aftreden van staatssecretaris Linschoten wordt wel aangehaald als een voorbeeld daarvan. Ten onrechte, meent Mark Kranenburg. Een nieuw dualisme tussen kabinet en parlement valt uit diens aftreden niet af te leiden.

De staatssecretaris is weg; leve de nieuwe staatssecretaris. In nog geen week tijd is het 'gevalletje vertrouwensschade' op het ministerie van Sociale Zaken opgelost. Afgelopen vrijdag ontruimde de enkele uren eerder afgetreden staatssecretaris Robin Linschoten zijn kamer op het departement, die gisteren alweer werd ingenomen door zijn politieke maatje en generatiegenoot Frank de Grave. De kwestie-Linschoten kwam snel op, maar even snel was de oplossing daar.

Het kan een indicatie zijn voor de verdere gevolgen van het bedrijfsongeval dat zich eind vorige week in de Tweede Kamer heeft voorgedaan. Al met al zou de schade wel eens uitermate beperkt kunnen blijven, namelijk tot niet veel meer dan de persoon Linschoten zelf. Natuurlijk, er was verontwaardiging alom bij de VVD. Maar nu de stofwolken enigszins zijn opgetrokken, lijkt het erop dat het vooral veel rituele verontwaardiging was, horend bij de rolverdeling.

In de CTSV-zaak heeft bijna iedereen zich keurig aan zijn rol gehouden. Dat begon bij staatssecretaris Linschoten zelf. Het rapport van de commissie-Van Zijl over de gebeurtenissen bij het College van Toezicht Sociale Verzekeringen was bikkelhard over hem. Er stond weliswaar niet letterlijk in dat hij in deze zaak de Tweede Kamer herhaaldelijk heeft voorgelogen, maar dit was wel de hoofdboodschap die tussen de regels door kon worden gelezen.Terecht heeft Linschoten in zijn verdediging dan ook zijn eigen geloofwaardigheid centraal gesteld. Want daar ging het alleen nog maar om. En zodra het om geloofwaardigheid gaat, is het politieke vertrouwen in het geding.

In het verleden is het meer dan eens voorgekomen dat bewindslieden het trekken van deze conclusie aan de Tweede Kamer overlieten. Om politieke redenen bleef die vervolgens onuitgesproken. Dat kan ook gemakkelijk, omdat in Nederland in het verkeer tussen kabinet en parlement sprake is van een negatieve vertrouwensregel: een minister of staatssecretaris heeft het vertrouwen totdat het tegendeel blijkt. Het is een formulering die onbeperkt ruimte laat voor twijfel, oftewel: voor bungelende bewindslieden. Of er werkelijk sprake is van een trend moet nog blijken, maar een feit is wel dat Linschoten al de tweede bewindspersoon van dit kabinet was die geen trek had in dit vooruitzicht. In de zaak rondom de gouden handdruk voor de Amsterdamse procureur-generaal Van Randwijck was het minister Sorgdrager van Justitie die aan het slot van het Kamerdebat nadrukkelijk om vertrouwen vroeg. Schouderophalend gaven de coalitiepartners haar dat. Natuurlijk had zij nog het vertrouwen, niemand had toch gezegd dat dat niet zo was?

Linschoten hanteerde vorige week een nog scherpere vraagstelling: hij eiste van de regeringsfracties dat deze zouden uitspreken dat er “geen millimeter” twijfel bestond over zijn geloofwaardigheid. Dat was vragen om een uitspraak die deze fracties alleen zouden kunnen doen op straffe van verlies van hun eigen geloofwaardigheid.

Want hoe kan een Kamer die 24 uur eerder wèl de conclusies van een onderzoeksrapport heeft onderschreven waarin het geloofwaardigheidsprobleem wordt geconstateerd, vervolgens zeggen dat over de geloofwaardigheid van de staatssecretaris 'geen millimeter' twijfel meer bestaat?

Het was dan ook te voorzien dat Linschoten dit expliciete vertrouwensvotum onmogelijk kon krijgen. En inderdaad, ook PvdA-fractievoorzitter Wallage en zijn D66-collega Wolffensperger hielden zich aan hun rol door de vraag ontkennend te beantwoorden. Maar hoe was het nu gesteld met VVD-fractievoorzitter Bolkestein? Geredeneerd vanuit de gegroeide praktijk van elkaar dekken, zou gezegd kunnen worden dat ook hij rolvast was, door zijn partijgenoot Linschoten het gevraagde vertrouwen wèl te geven. Maar voor deze steunbetuiging moest de VVD-leider wel zijn door hemzelf gekoesterde positie als dualist prijsgeven.

De parlementariër Bolkestein koos voor staatssecretaris Linschoten en daarmee tégen de onderzoekscomissie uit zijn eigen Tweede Kamer. “Er is veel af te dingen op het onderzoeksrapport”, zei Bolkestein vorige week ter verdediging van Linschoten. De dag ervoor had zijn fractiegenoot Van Hoof echter gezegd dat hij de hoofdlijnen en conclusies van het rapport - mede opgesteld door de VVD'er Klein Molenkamp - kon onderschrijven.

Bolkestein en zijn fractie stelden uiteindelijk dus loyalisme boven dualisme. In 'menselijk' opzicht is dit nog wel te verklaren, maar met zuivere verhoudingen heeft het allemaal zeer weinig te maken. Waar het in de CTSV-kwestie tenslotte om draaide, had niets te maken met inhoudelijke, partijpolitiek bepaalde keuzes. Het ging louter om de vraag of Linschoten als politiek verantwoordelijke staatssecretaris goed had geopereerd en of hij de Kamer goed had ingelicht. Een zichzelf respecterend parlement dient voor de beantwoording van die vraag het partijlidmaatschap van de betrokken bewindspersoon geen enkele rol te laten spelen. Dat de VVD dit wel heeft gedaan, laat zien dat het dualistisch leerproces ook bij de liberalen nog niet is voltooid.

De vervolgvraag bij gedwongen personele mutaties is altijd in hoeverre dit schadelijk is voor de coalitieverhoudingen. Van belang voor de gevolgen van het gedwongen vertrek van Linschoten is of de VVD nu werkelijk vindt dat de coalitie-partners PvdA en D66 zich onheus hebben opgesteld ten aanzien van Linschoten. Dat is immers bepalend voor de revanchistische gevoelens.

Voorzitter Korthals Altes van de VVD-fractie in de Eerste Kamer heeft al dreigend laten weten dat nu nog meer gelet zal worden op bewindspersonen uit andere partijen. Dat klinkt onheilspellend, maar zegt Korthals Altes daarmee ook niet dat hij gewoon zijn werk zal doen? Iedere parlementariër dient goed te letten op ministers en staatssecretarissen. De benoeming van de Amsterdamse wethouder De Grave als opvolger van Linschoten is in elk geval geen uiting van liberale gramschap. De sociale zekerheid is in hoge mate bepalend voor het slagen van het 'paarse' experiment. De wijze waarin PvdA en VVD erin slagen op dit terrein compromissen tot stand te brengen, is bepalend voor de hechtheid en eventuele continuering van de coalitie. Met de paarse apostel De Grave als staatssecretaris van Sociale Zaken is de kans op succes zeker niet verminderd.

Alles wijst erop dat de kwestie-Linschoten uiteindelijk niet veel meer dan een incident zal blijken te zijn. De krampachtigheid die onmiddellijk optreedt zodra een minister of staatssecretaris in het geding komt, is weg.

Maar betekent dit nu ook de opmaat voor een nieuwe bestuurscultuur? De wijze waarop de afhandeling toch weer langs partijpolitieke lijnen heeft plaatsgevonden wijst daar niet op. Ook het feit dat het finale oordeel geveld werd in de beslotenheid van het Torentje van de premier en niet in de Tweede Kamer illustreert dat de oude instincten nog volop aanwezig zijn. Een gevallen staatssecretaris maakt nog geen nieuwe bestuurscultuur.