'Dutchbat liet lokale tolken in de steek'

ROTTERDAM, 3 JULI. Dutchbat heeft tijdens de val van Srebrenica op 11 juli vorig jaar twee lokale VN-tolken aan hun lot overgelaten. De een is in handen van de Bosnische Serviërs gevallen en staat sindsdien op de Rode Kruis-lijst van 7.000 vermisten; de ander is na een zwerftocht van 38 dagen in Centraal-Bosnië aangekomen.

Dat blijkt uit interne stukken van de VN-macht in ex-Joegoslavië. Het ministerie van Defensie zegt een van de twee gevallen te kennen, maar vindt niet dat de Nederlandse VN-eenheid tekort is geschoten.

Per brief is Dutchbat-commandant Karremans er door het VN-hoofdkwartier in Tuzla op 14 juli op gewezen dat de VN “een wettige verplichting hebben om de lokaal gecontracteerde medewerkers te evacueren”. De tolken Bekir Hodzic en Senad Alic waren toen al in de enclave achtergelaten.

De 23-jarige Alic, die tegenwoordig in Tuzla woont, is volgens de documenten “door Dutchbat verlaten”. Zelf zegt hij: “Op de dag van de val had ik een vrije dag, maar ik was bij een Nederlandse VN-eenheid op een observatiepost. Dat is gemeld aan de bataljonsleiding, dus die wist ervan. Maar toen de blauwhelmen zich terugtrokken hebben ze me gewoon laten staan. Ze zeiden gedag en gingen er vandoor.”

Defensie zegt dat de Dutchbat-tolk 'vrijwillig' voor zijn vlucht door de bergen heeft gekozen, maar Alic bestrijdt dat: “De Serviërs stonden aan de stadsrand, ik had geen keus.”

De vermiste Bekir Hodzic zou de toegang tot de kampementen van Dutchbat zijn geweigerd. Volgens twee VN-medewerkers is hij op 11 juli bij het kamp van de Bravo-compagnie weggestuurd omdat hij geen VN-pasje bezat. Hoewel hij zijn arbeidscontract - dat tot november 1995 liep - zou hebben getoond, mocht hij niet naar binnen.

Hodzic, die als vertaler voor de Civiele Politie van de VN werkte, is op de vlucht geslagen en heeft niet meer geprobeerd om op het verderop gelegen basiskamp van Dutchbat in Potocari toegelaten te worden “omdat hij daar al eerder was geweigerd”, aldus zijn broer Nezir in een schriftelijke verklaring van 4 oktober 1995. Bekir Hodzic is voor het laatst gezien in een Servische vrachtwagen vol moslimkrijgsgevangenen.

In een memo van 2 augustus 1995 noemen de VN het achterlaten van de tolken “een incident dat serieuze vragen oproept”. Over het geval-Hodzic: “Waarom heeft het Nederlandse bataljon iemand weggestuurd die een bewijs kon tonen dat hij een dienstverband met de VN had?” En over Alic: “Waarom is hij over het hoofd gezien?” Een VN-functionaris in Sarajevo zegt dat die vragen nooit zijn beantwoord.

Het regionale VN-hoofdkwartier in Tuzla heeft tussen 11 en 14 juli aan Dutchbat gevraagd of de twee tolken zich op de compound in Potocari bevonden, dat in die dagen een door de Serviërs omsingeld vluchtelingenkamp was. Het antwoord was in beide gevallen bevestigend, maar toen een VN-veiligheidsbeambte ze aan de telefoon vroeg, bleken ze onvindbaar.

Senad Alic wil de Nederlandse VN-soldaten niets verwijten: “Zij waren bang en deden gewoon hun werk. Maar ik vraag me af waarom de Dutchbat-leiding zich niet verantwoordelijk voelde voor haar vermiste personeelsleden.” Toen de Dutchbat-tolk na een levensgevaarlijke tocht op 18 augustus totaal verward in Tuzla aankwam, weigerde zijn werkgever hem aanvankelijk uit te betalen voor de 38 dagen van zijn “afwezigheid”.

Eerder is al bericht over lokale personeelsleden, die familieleden niet mochten meenemen bij de evacuatie of die de Dutchbat-compound moesten verlaten omdat ze geen vast contract hadden.

    • Frank Westerman