Visitatie is een papieren bezoeking

Zuchtend, slechts getroost door het vooruitzicht van het naderende pinksterweekeinde, verzamelden zich onlangs op vrijdagochtend de docenten van de Nijmeegse letterenfaculteit. Ze schoolden samen in een benauwde bovenzaal, in de hoop dat de vurige tong van de Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten hen zou verlichten: een VSNU-woordvoerder kwam opheldering brengen over de visitatie waaraan alle letterenfaculteiten zich in 1997 onderwerpen.

De man van de VSNU kweet zich zo goed mogelijk van zijn taak, al droegen zijn transparanten, in Neder-Engels 'sheets' genaamd, door hun brede rouwranden niet bij tot een verbetering van de stemming.

Natuurlijk, iedereen wist eigenlijk alles al uit de stukken, maar het faculteitsbestuur had aangedrongen om massaal te komen en het verwerken van informatie aangereikt door een viva vox maakt veel duidelijker waarom het eigenlijk gaat dan het bestuderen van bedrukt papier. Inderdaad begon het de aanwezigen alras te dagen wat er staat te gebeuren. Verbazing maakte plaats voor verbijstering en vervolgens voor onverholen woede: de komende universitaire visitatie wordt een bureaucratische onderneming zonder weerga.

Ooit, toen het ministerie van Onderwijs dreigde met een zware hoger-onderwijsinspectie, hebben de universiteiten een onderling systeem van kwaliteitsbewaking uitgedacht. Commissies van gerenommeerde collega's hebben de afgelopen jaren allerlei studierichtingen aan de tand gevoeld over hun onderwijs en onderzoek. Hun rapportages halen zelfs de krant. Voor de gevisiteerden zijn de belangen niet gering. De universiteiten lijden immers onder een kil politiek klimaat: beleidsmakers die in de jaren zestig en zeventig academisch hebben kunnen flierefluiten, wentelen hun schuldgevoelens af op de universiteiten van tegenwoordig. In dat kille klimaat kunnen ongunstige visitatierapporten de stokken zijn waarmee de honden worden geslagen.

De visitatie is indertijd voorgesteld als een middel waarmee de Nederlandse universiteiten publiekelijk rekenschap zouden afleggen: we doen het zelf en samen in de VSNU. Haar vertegenwoordiger onderrichtte het Nijmeegse letterenvolk monter over de verfijningen van het systeem die bij de faculteiten der Letteren zullen worden toegepast. Zo zullen onderzoek en onderwijs in één keer worden doorgelicht en wel faculteitsbreed, dus niet meer per studierichting.

Ja, de rapportages over het onderzoek dienden wel in het Engels te worden ingediend. Deze mededeling wekte verbazing. Mag van de ijdele buitenlanders die menen het Nederlandse onderzoek even te kunnen beoordelen, niet worden verwacht dat zij ten minste onze taal machtig zijn? Niet alleen brengt de aard van vele vakken - Nederlands, Nederlandse geschiedenis - met zich dat de eigen taal als wetenschappelijk instrument wordt gebruikt, juist letterenfaculteiten hebben de plicht het Nederlands tot op het niveau van de wetenschapsbeoefening te gebruiken; er staat niets minder op het spel dan het behoud van het Nederlands als complete cultuurtaal.

Verbijstering maakte zich meester van het geletterde gezelschap toen bleek dat niet alleen het onderzoek, maar ook het onderwijs in het Engels diende te worden beschreven, allemaal ter wille van die enkele buitenlandse pottenkijker. Welke vreemdeling leent zich toch voor zo'n taak? Alleen iemand die aan mateloze zelfoverschatting lijdt. Een werkelijk wijs persoon houdt zich verre van zo'n onmogelijke opgave.

Men moet zich voorstellen hoeveel extra werk en geld worden gevraagd: het gebruik van Engels kost zeker twee keer zoveel tijd als het schrijven van een rapport in de moedertaal. De verdubbeling van tijd en kosten doet zich voor in elk stadium. Eerst moeten op het niveau van de studierichting nijvere docenten onder het Angelsaksische juk door. Vervolgens zal de faculteit, die weet welke belangen ermee gemoeid zijn, speciale correctoren inzetten om een gepolijst produkt af te leveren. Hoeveel extra geld kost zo'n simpel voorschrift niet?

En de kosten van de hele operatie zijn al aanzienlijk. Alleen al met zo'n ochtendje voorlichten bij één faculteit is volgens een ruwe schatting 15.000 gulden aan salariskosten gemoeid. En dit was al de tweede bijeenkomst in Nijmegen. De zes zusterfaculteiten pakken het zeker niet minder serieus aan, zodat er alleen al in het rijp maken van de geesten enkele honderdduizenden guldens zitten. De echte faculteitsspecialisten krijgen nog instructies op speciale conferenties. De leden van de visitatiecommissies worden natuurlijk ruimschoots gecompenseerd voor hun inspanningen en voor hun reis- en verblijfskosten. Bovendien blijkt zich inmiddels een nieuw vak te hebben ontwikkeld: de wetenschap van het visiteren, met internationale bijeenkomsten en al. Een kwaadaardig vermoeden kwam bij me op. Willen de Nederlandse visitatologen op congressen mooi weer spelen met Engelstalige rapporten die hun zo braaf worden aangereikt door de faculteiten?

De hele visitatie-onderneming komt op miljoenen guldens. De verhouding tussen kosten en baten lijkt volstrekt zoek.

Ten slotte deden we de onthutsende ontdekking dat visitatie niet meer betekent wat het woord aanduidt. De studierichtingen worden namelijk helemaal niet meer bezocht. Als er speciale redenen zijn komt de visitatiecommissie wel, maar iedereen zal alles doen om dat te voorkomen: een visitatiecommissie die langskomt, voorspelt alleen maar onheil.

“Het gebeurt allemaal in ons belang”, zei de faculteitsvoorzitter aan het eind van de zitting. Wellicht dat het instrument van de visitatie enige tijd zijn nut heeft gehad, maar nu begint het de trekken van een verplicht circusnummer te vertonen. De Nederlandse universiteiten lijken het slachtoffer te worden van het orgaan dat ze in het leven hebben geroepen om zelfstandig te blijven, de corporatistische VSNU. Als aan elkaar geketende beren gaan de Nederlandse literaire faculteiten in de komende jaren rituele dansen uitvoeren met veel Engels drukwerk: de visitatie Letteren wordt een papieren bezoeking.