Politievrouwen zijn heus klaar voor topfunctie

Heeft Nederland binnenkort een vrouwelijke korpschef? Als het aan de Nederlandse Politie Bond ligt wel. De Bond wil dat ook vrouwen meedoen met de stoelendans van hoofdcommissarissen (NRC HANDELSBLAD, 28 juni) en dat minister Dijkstal ten minste één vrouw benoemt als hoofdcommissaris nu er verschillende posities vacant komen.

Als de functieroulatie doorgaat zoals de minister dat lijkt te willen, zijn Utrecht, Den Haag en Amsterdam al bezet, maar zijn Arnhem, Rotterdam en Haarlem nog vacant.

Een vrouwelijke korpschef zou een volgende stap zijn in het jarenlange streven naar meer vrouwen in leidinggevende posities. Het zou de vrouwen in het hogere kader, die zich nog altijd in een uitzonderingspositie bevinden, een hart onder de riem steken. Vrouwen worden pas sinds 1971 toegelaten op de Nederlandse Politie Academie. Werd hun aantal eerst nog beperkt door het ontbreken van geschikte slaapkamers voor vrouwen (sic), op dit moment is 37 procent van de studenten vrouw. Het percentage vrouwen in de hogere politiefuncties is echter nog steeds bedroevend laag: 2,5 procent.

Misschien moeten we, naar Amerikaans voorbeeld, ook maar eens af van het uitgangspunt dat alleen commissarissen korpschef kunnen worden. In Amerika kiest de (gekozen) burgemeester de korpschef uit de geledingen van de politie; het kan iemand met de rang van brigadier zijn. Het idee van minister Dijkstal om ook mensen van buiten de politie als korpschef aan te trekken, zou het aantal vrouwen onder wie kan worden geworven eveneens veel groter maken. Binnen de politie zijn echter nog veel bezwaren tegen deze methode.

Het aandeel van vrouwen in het lagere kader van de politie is drastischer veranderd. Van de agenten en hoofdagenten is inmiddels 14 procent vrouw. De mogelijkheid om in deeltijd te werken heeft hier sterk toe bijgedragen. De 'doorgroei'-mogelijkheden voor vrouwen zijn ook wat verbeterd. De specialisatierichtingen hebben weliswaar de deuren niet wijd opengezet, maar er is een kier waar steeds vaker vastbesloten vrouwen doorheen glippen. Elk van deze kieren is in felle discussies bevochten. Of het nu om de eerste vrouw bij de surveillance ging (lang geleden), bij de ruiterij of bij de recherche (niet zo lang geleden), steeds werd jarenlang getracht de deur met de meest bizarre argumenten dicht te houden. Er was geen kleedruimte, de motoren waren te zwaar, echtgenotes zouden jaloers worden, etcetera.

Langzamerhand is er echter een consensus gegroeid dat een groter aandeel van vrouwen in àlle geledingen en onderdelen van de politie een goede zaak is. Deze consensus is allereerst gebaseerd op het individuele recht op vrije beroepskeuze: het is niet meer dan rechtvaardig dat vrouwen die dit beroep wensen daar geen extra belemmeringen bij ondervinden op grond van hun geslacht. Maar voorstanders van meer vrouwen betogen vaak dat de komst van meer vrouwen de politie zelf ook ten goede komt. Het kan de dienstverlening aan vrouwen verbeteren.

Een groter aandeel van vrouwen in het lagere kader zou er bijvoorbeeld toe leiden dat echtelijke twisten waarbij de hulp van de politie wordt ingeroepen, beter aangepakt worden. Gemengde teams hebben een reputatie zulke problemen beter af te handelen dan teams van twee mannen. Door grotere herkenbaarheid van de politie voor vrouwen zou ook de bereidheid aangifte te doen van verkrachtingen groter kunnen worden. Vrouwen in het hogere kader kunnen er ook toe bijdragen dat de prioriteiten op de politieagenda wat minder eenzijdig worden vastgesteld. Contacten met Blijf-van-m'n-Lijf huizen en de aanpak van vrouwenhandel zouden hoger op de agenda kunnen komen te staan.

Overigens is enige voorzichtigheid geboden bij dergelijke argumenten op basis van vermeende groepsverschillen tussen mannen en vrouwen. Niet iedere vrouw zal immers in dezelfde mate tot deze 'vrouwelijke' inbreng geneigd zijn, terwijl er mannen zullen zijn die met evenveel of meer tact kunnen optreden in 'vrouwvijandige' situaties. Er moet dus wel voor worden gewaakt dat de specifiek 'vrouwelijke inbreng' van iedere individuele vrouw verwacht gaat worden of zelfs als extra eis voor vrouwen gaat gelden, terwijl omgekeerd een dergelijke inbreng van de zijde van mannen niet erkend wordt.

Sommigen gaan nog veel verder in hun verwachtingen van de positieve effecten van meer vrouwen in de politietop. Zo zijn er nogal wat aanhangers van de gedachte dat vrouwen van nature minder geneigd zijn tot 'het Kwade'. Vrouwen zitten bijvoorbeeld veel minder vaak in de gevangenis en vaker voor diefstal dan voor geweldpleging. Vrouwen zouden minder geneigd zijn tot machtsspelletjes en (dus) minder kreukbaar, meer geneigd tot samenwerken.

Het zou mooi zijn als het waar was, maar vooralsnog valt niet uit te sluiten dat we ook hier eerder te maken hebben met een achterstand, die snel ingelopen zal worden bij gelijke kansen. De berichten over meisjesbendes in Los Angeles, die in gewelddadigheid niet voor jongensgangs onderdoen, wijzen in die richting. Wellicht dat de huidige generatie van politievrouwen, door hun afwijkende positie als enkelingen in een mannencultuur, de ons-kent-ons sfeer binnen de politie kunnen doorbreken en zo een verfrissend effect kunnen hebben. De vrouwen die nu tot het hogere kader behoren en daar al meer dan twintig jaar functioneren, zijn sterke persoonlijkheden.

Maar op basis van hun positie als enkelingen zou je ook juist een negatieve invloed kunnen verwachten. Enkelingen hebben vaak de neiging zich extra aan te passen om tòch bij de meerderheid te horen. Kritiek, een deviante houding, komt juist onder hen minder voor. Bovendien - en dat is eigenlijk belangrijker - is de bedoeling juist dat vrouwen geen uitzondering blijven, en dus zullen ze daar dan ook geen speciale voor- of nadelen meer van ondervinden. Als er binnenkort een vrouwelijke korpschef komt, is dat voor mij een reden voor een feestje. Niet omdat dit de corruptiegevoeligheid van de politie zou doen afnemen, maar omdat het een volgende mijlpaal zou zijn in het rechtvaardige streven naar meer vrouwen in leidinggevende posities.

    • Marlies Ott