Liefdevolle pelikaan

In de mensenmenigte die na de processie de St. Janskerk van Laren binnenstroomde zag ik een felgekleurd paars jasje, niet het paars van de boetedoening, maar een uitdagender tint die ik kende als de kleur van het privé uniform van een militant vrijdenker. Ook gij, Hugo? Ik herinnerde me een voorval van lang geleden, toen ik samen met mijn huisgenote tot het vegetarisme was overgegaan en wij elkaar wijsmaakten dat het uitstekend beviel, gezond en ook smakelijk zelfs, tot we elkaar op een avond zagen in een snackbar waar we onafhankelijk van elkaar naar toe waren geslopen om een vleeskroket uit de muur te trekken.

Betrapt! Zou ik nu weer zo'n confrontatie beleven? Nee, het jasje en ik werden verschillende kanten opgezogen en ik was alleen met mijn gedachten over de voedzaamheid en smakelijkheid van een atheïstisch dieet.

Ik had de processie indrukwekkend gevonden. Van de kerk naar het kerkhof buiten het dorp en weer terug. Het dorp liep uit, de stoet was langer dan ik gedacht had. De gezichten van de processiegangers hadden de ernst waar ik op hoopte, de gebeden, de muziek en de zang klonken zoals ik verwacht had en ik hoorde ook dingen die ik niet verwacht had en die me verrasten. In een van de lofzangen werd Jezus aangesproken als Liefdevolle Pelikaan, een mij tot dan onbekende maar tot grote tevredenheid stemmende titel. Geen flagellanten liepen mee helaas, maar je kan niet alles hebben.

Ik vond het indrukwekkend, maar ik zag het dan ook voor de eerste keer en ik merkte dat de dorpelingen langs de weg het schouwspel weliswaar welwillend bekeken, maar ook vergelijkingen maakten met vroeger, toen het nog veel indrukwekkender was. Niet op zondag toen, maar ieder jaar op dezelfde datum, zoals het hoorde. Alle scholen vrij, ook de heidense en protestantse. Honderden kinderen die rozenbladeren strooiden. Pakhuizen vol nonnen die uitstroomden, van allerlei verschillende instituten. Wat was een processie zonder nonnen? Nu liepen er nog maar vier. En de poorten waren prachtig geweest. Nu was er nog maar één ouderwetse poort en verder stonden er langs de route moderne stalen klimrekken die de naam poort niet verdienden. En het baldakijn werd nu alleen nog maar op de terugweg gedragen, net als de wierook, die schraal werd uitgezwaaid. Toch is het mooi, zei ik. Jazeker, werd toegegeven, het was nog steeds mooi en al weer heel wat beter dan in de jaren zeventig, toen de processie aan soberheid en gebrek aan belangstelling leek onder te gaan.

De hulpbisschop die op de begraafplaats sprak, was te jong, vond ik. Bovendien maar een hulpbisschop, dat viel me tegen. De echte bisschop, werd me uitgelegd, had moeilijkheden met de gelovigen in zijn bisdom en was in zekere zin aangeschoten wild. De hulpbisschop was ook te gezellig naar mijn zin, te vlot en gewoon, alsof hij geen leiding gaf aan een religieuze plechtigheid maar aan een reisgezelschap. De hulpbisschop bekende dat hij in zijn Amsterdamse studententijd op drift was geraakt en zich verdiept had in de vreemde oosterse goden die in Amsterdam aanbeden werden, totdat de enige levende God hem bij de lurven had gepakt en hem neergezet had waar hij nu stond. Maar allerminst huiveringwekkend klonk het verhaal van de gevaren van de grote stad, niet als een heroïsche worsteling waarin voor de poorten van de hel een dreigende verdoeming ontlopen was. Het gaf meer de indruk alsof hij wilde laten zien dat hij niet van de straat was en zich wel degelijk breder had georiënteerd in een leerzame studententijd.

De stoet ging terug naar het dorp en verzamelde zich in de kerk voor het St. Janszingen. Ook wij die niet in de stoet hadden meegelopen konden met enige moeite een plekje vinden. Buiten werd nog gedrongen, maar de grote kerk was vol. Mijn leidsman, die mij veel had uitgelegd dat ik anders niet begrepen zou hebben, wees me er op dat de bont gekleurde vanen en de nu overvloedige wierooklucht oorspronkelijk de tekenen waren van de Triomferende Kerk. Kerk die nu echter veel nederiger was geworden, gezien de keuze van de gebeden en de toon van de toespraken. De hulpbisschop was nu wel heel weinig plechtig. Hij dankte alle aanwezigen dat ze de mooie oude traditie in leven hielpen houden. Hoe nu? Beschouwde de Kerk zelf haar plechtigheden als folkloristische tradities? Was het dan zo dat de processiegangers slechts in schijn hadden gebeden voor het heil van de zieken en de eenzamen, maar in werkelijkheid slechts voor het in stand houden van een mooi oud gebruik? De hulpbisschop zei wat ik dacht, maar hij mocht dat nou juist niet zeggen, vond ik. Aan de andere kant zou de hulpbisschop mij met recht kunnen vragen waar ik me in hemelsnaam mee bemoeide als toerist.

Stemt uw gedrag niet af op deze wereld, had ik tijdens de processie gehoord. Vermaning die nu vergeten leek. Zo werelds was de toon van de hulpbisschop dat ik, toen hij aankondigde de mensen te gaan bedanken zonder wie dit niet mogelijk was geweest, werkelijk even dacht dat hij de sponsors zou gaan noemen. Mijn leidsman kende nog alle elf coupletten van het St. Janslied en ook de Latijnse gebeden die gezegd werden uit zijn hoofd. Het was lang geleden dat hij deze afsluitende plechtigheid had meegemaakt, en ook hij was verrast door het applaus dat in de kerk opklonk, na een gezang of na een toespraak. Was dat applaus er vroeger ook geweest? Nee, dat was er toen niet.

Het applaus klonk me toe alsof de kerkgangers zichzelf feliciteerden met het in stand houden van de mooie oude traditie. Het leek me een uitdrukking van de dubbelzinnige houding van veel van de gelovigen of halfgelovigen of ex-gelovigen, van de hulpbisschop en vooral van mensen als ikzelf, die hier eigenlijk niets te maken hadden, maar ondertussen wel meenden dat de regie-opvattingen van het geboden spektakel niet consequent waren en dat het allemaal strenger zou moeten. Aan de gebeden en de gezangen kon ik niet meedoen, maar aan het applaus wel. Ik klapte mijn handen warm en in gedachten hoorde ik een wereldwijd en niet tot stilte te brengen applaus opgaan, voor onszelf en voor de ruimdenkendheid van de moderne mens en voor iedere voorstelling die vroeger een plechtigheid was. Voor de priester die tijdens de mis tegen alle waarschijnlijkheid in de wijn toch maar weer in bloed heeft weten om te toveren. Voor de rechter die zonder cameravrees een spraakmakend vonnis heeft geveld. Voor de democratie, na de parlementszitting, als de minister-president de Kamerleden bedankt dat ze een fantastisch publiek waren.