Landbouw Oost-Europa is ongeduldig over EU

Minister van Aartsen (Landbouw) maakte onlangs een rondreis door vier Oosteuropese landen die willen toetreden tot de Europese Unie. Hij kreeg veel kritiek te horen op het landbouwbeleid van de EU 'die met de ene hand helpt en met de andere hand integratie tegenhoudt door de eigen markt af te schermen'. Toetreding tot de EU voorziet Van Aartsen pas 'ergens in het eerste decennium van het volgende millennium'. Maar het Nederlandse landbouwbedrijfsleven ziet in Oost-Europa kansen. “Hongaren zijn eigenwijs, maar de Slowaken staan open voor veranderingen.”

De afrastering langs de oprit is versierd met gele en blauwe vlaggetjes die wapperen in de wind. Aan een hek staan vier zwartbonte melkkoeien, de beste die er in heel Slowakije zijn te vinden. Vanuit de wijde omgeving zijn boeren naar deze demonstratieboerderij in Nitra gekomen, zo'n vijftig kilometer ten noordoosten van Bratislava. Samen met studenten en medewerkers van de plaatselijke landbouwuniversiteit drinken ze een glas op het erf als de Slowaakse eigenaar van het bedrijf zijn buitenlandse gast, de Nederlandse minister van Landbouw Jozias van Aartsen, een rondleiding geeft door de moderne ligboxenstal.

“Ik moet zeggen: ik ben toch wel een beetje trots als ik hier deze Hollandse koeien zie”, zegt een jonge diplomate in een grijs mantelpakje met een ernstig gezicht. Ook minister Van Aartsen verbergt zijn waardering niet. “Dit project (opgezet met financiële steun van de Nederlandse overheid) is een lichtend voorbeeld voor de melkveehouderij in dit land”, zegt hij in zijn toespraak. Drie jaar geleden begon boer Marian Imrisek (35) met zo'n veertig koeien uit Friesland, sindsdien haalt hij de hoogste melkproduktie per koe in Slowakije.

Het bezoek aan het bedrijf van Imrisek is onderdeel van een rondreis die minister Van Aartsen onlangs maakte langs vier Oosteuropese landen die zich hebben aangemeld voor het lidmaatschap van de Europese Unie: Hongarije (10,3 miljoen inwoners), Slowakije (5,3 miljoen), Polen (38,5 miljoen) en Tsjechië (10,3 miljoen). Een Nederlandse minister van Landbouw ontkomt in het buitenland niet aan 'Holland promotie', maar Van Aartsen heeft dit maal ook een ander doel voor ogen. “Ik ben hier niet gekomen om te onderhandelen, maar om kennis te maken, om kennis op te doen en om u de komende jaren onze hulp aan te bieden bij de moeilijke weg naar toetreding tot de EU”, legt de bewindsman zijn missie uit tijdens tafelredes in Boedapest, Bratislava, Warschau en Praag.

Dat hulpaanbod wordt, met de plechtige ondertekening van samenwerkingsovereenkomsten, in de vier hoofdsteden beleefd geaccepteerd. Maar dat gebeurt niet klakkeloos, zo wordt al gauw duidelijk. In Boedapest klaagt de Hongaarse minister van Landbouw, László Lakos, over de hoge invoertarieven die de EU hanteert voor fruit en groente uit zijn land. Als een Nederlandse ambtenaar van het ministerie van Landbouw in Praag met veel enthousiasme wijst op het nut van Nederlandse kennis bij een 'natuurvriendelijk' landbouwproject in Podripsko, reageert zijn Tsjechische tegenspeler kortaf met de opmerking dat 'samenwerking' geen 'eenrichtingsverkeer' is maar 'uitwisseling' van ervaring en informatie behelst. En in Warschau, waar een Nederlandse diplomaat van te voren al had gewaarschuwd voor een 'korzelige houding', moppert directeur Marian Brzoska van het bureau Europese integratie van het ministerie van Landbouw dat de EU 'met de ene hand helpt en met de andere hand' integratie van de Poolse landbouw tegenhoudt door haar eigen markt af te schermen. “Jullie hoeven je niet zo'n zorgen te maken over ons concurrentievermogen. Als de EU haar restrictieve handelsinstrumenten loslaat, zal dat de Poolse buitenlandse handel stimuleren en dan zullen de Poolse boeren zich zeer snel aanpassen”, zegt Brzoska.

Minister Van Aartsen onderstreept in al zijn toespraken dat de vraag of de EU zal uitbreiden politiek niet meer ter discussie staat. “Je proeft dat dat wantrouwen kennelijk nog steeds bestaat en dat wil ik wegnemen”, zegt hij. Maar hij vermijdt zorgvuldig zich vast te pinnen op een datum waarop de Oosteuropese landen zich daadwerkelijk in Brussel kunnen melden als volwaardig lid. “Ergens in het eerste decennium van het volgende millennium”, voorspelt hij. De minister betoogt dat de EU eerst 'haar eigen huis op orde moet stellen'. De Intergouvermentele conferentie (over herziening van het Verdrag van Maastricht) moet zijn afgerond alvorens kan worden begonnen met de toetredingsonderhandelingen. Die onderhandelingen kunnen vervolgens niet los worden gezien van de fundamentele keuzes waarvoor de EU-lidstaten de komende jaren staan: de EMU (Economische en monetaire unie), het Europese structuurbeleid (waarvan nu nog vooral de zuidelijke lidstaten profiteren), de toekomstige financiering van de Unie, een nieuwe ronde van onderhandelingen over liberalisering van de wereldhandel en verdergaande hervorming van het gemeenschappelijke landbouwbeleid. Definitieve besluiten daarover zijn in ieder geval niet voor 1999 te verwachten, deelt Van Aartsen zijn gastheren mee.

De met de minister meereizende ambtenaren uit Den Haag geven seminars waarin wordt uitgelegd dat zowel Europees commissaris Franz Fischler als de Nederlandse regering discussienota's hebben opgesteld over nieuwe aanpassingen van het Europese landbouwbeleid, die ook zonder toetreding van nieuwe leden nodig zijn. Voorspeld wordt dat Brussel de prijzen steeds verder zal verlagen, en in ruil daarvoor de boeren directe inkomenssteun zal geven. Maar hoe ver dat beleid van rechtstreekse inkomenssteun zal worden doorgevoerd, is nog onduidelijk. “Vroeger was uitbreiding relatief eenvoudig en hoefden de nieuwkomers alleen maar het 'acquis communautair' over te nemen. Nu staat het EU-beleid zelf ter discussie en is het Europese landbouwbeleid voor de kandidaat-lidstaten een bewegend doel geworden”, luidt de boodschap.

Tegelijkertijd wil Van Aartsen niet de indruk wekken dat snelle toetreding van de Oosteuropese landen alleen maar wordt verhinderd door onzekerheden binnen de EU. “Alle landen bereiden zich serieus voor op hun toetreding. Maar je moet ook vaststellen dat er nog een enorme taak ligt. Alleen al om uit te leggen hoe binnen de Europese Unie beleid wordt gemaakt en hoe de procedures zijn, moet nog veel basiswerk worden verricht”, zo zal hij aan het eind van de reis concluderen. “Ook economisch gezien zou een snelle toetreding desastreus uitwerken voor hun landbouwsector. Ik geloof niet dat het openen van onze grenzen gunstig zou uitwerken. Zo zit het niet in elkaar. De consument in de EU wil een kwaliteit die de Oosteuropese landen nog lang niet kunnen bieden. Ik denk dat je moet gaan werken met overgangstermijnen, zoals met Spanje en Portugal is gebeurd”, aldus Van Aartsen.

Kwaliteit blijkt het steeds terugkerende sleutelwoord te zijn in de gesprekken die Van Aartsen voert. In Praag vertelt Rien Geluk uit Tholen hoe hij vorig jaar in Moravië een oude landbouwcoöperatie heeft overgenomen, waar voor de 'fluwelen revolutie' in Tsjechië 180 mensen werkten. Hij importeerde pootgoed uit Nederland en behaalde afgelopen jaar een opbrengst van 40 ton aardappelen per hectare, ongeveer het dubbele van wat in de omgeving gebruikelijk was. “Dat had een enorme uitwerking. Naarmate de aardappelen groeiden, kwamen er steeds meer mensen kijken en ze werden steeds enthousiaster.” Geluk verkocht zijn aardappelen voor een 'goede' prijs aan een Tsjechische groothandel. Maar na een paar weken werd hij opgebeld met de mededeling dat er grote problemen waren. “Ze zeiden: uw aardappelen zijn te goed. We raken de Tsjechische aardappelen niet meer kwijt. Dat is het probleem in dit land: wat de boeren hier leveren, is gewoon veevoer bij ons.”

Niet alleen in Tsjechië maar ook in Hongarije, Polen en Slowakije is de landbouwproduktie scherp gedaald na de omwentelingen in 1989, waarbij de onder de centrale planeconomie gesubsidieerde afzetkanalen in eigen land en in de Comecon wegvielen. De afgelopen jaren is de export van Oosteuropese landbouwprodukten naar de EU gestegen, maar de handelsstromen in omgekeerde richting zijn nog sneller toegenomen. Dat versterkt het gevoel in kandidaat-lidstaten dat ze door de EU aan het lijntje worden gehouden. “Wij vragen een eerlijke behandeling door de EU. We willen niet alleen politieke samenwerking maar ook economische. De Europese exportsubsidies verstoren onze markten”, zegt een Hongaarse diplomaat in Boedapest. Hij zegt dat Hongarije zo snel mogelijk wil toetreden tot de EU en volledig aanspraak wil maken op alle vanuit Brussel te vergeven subsidies. Hongarije denkt vooral aan de structuurfondsen om de landbouwsector en de aanverwante verwerkende industrie te versterken, en om het platteland leefbaar te houden. “Vorig jaar ging de koopkracht in Frankrijk 0,5 procent achteruit en kwamen de mensen de straat op. Wij hebben te maken met een achteruitgang van 12 procent en het is rustig gebleven. Maar de bevolking moet wel licht aan het eind van de tunnel zien”, aldus de diplomaat.

In Babolna, noordwestelijk van Boedapest tegen de grens met Slowakije, voorspelt directeur László Papocsi dat zijn staatsonderneming tegen het jaar 2000 zal voldoen aan alle EU-normen. “Ik kan u geruststellen: Babolna zal niet als een bedelaar op de stoep zal staan”, zegt hij. “Er is geen alternatief voor Hongarije dan dat het lid wordt van de EU, en er is geen alternatief voor de EU dat Hongarije wordt toegelaten.” Het Babolna-concern omvat - naast een wereldberoemde paardenfokkerij - onder andere produktiebedrijven voor kippen, eieren, veevoeder en geneesmiddelen alsmede slachterijen en een verwerkende industrie. Bij het bedrijf, dat 25.000 hectare landbouwgrond exploiteert, werken 6.500 mensen. De omzet bedraagt 850 miljoen gulden (waarvan ongeveer een vierde uit export). Babolna is een van zestien grote landbouwcoöperaties in Hongarije die de regering in overheidsbezit wil houden om hun strategische betekenis voor de agrarische sector. Maar voor de modernisering is buitenlands kapitaal welkom: de 24 werkmaatschappijen van Babolna kunnen ieder voor zich joint ventures aangaan met (buitenlandse) privé-investeerders.

Polen, Hongarije, Tsjechië en verrassenderwijs vooral Slowakije haalden de afgelopen jaren goede economische groeicijfers. In Slowakije bedroeg de groei vorig jaar ruim 7 procent, in Tsjechië en Polen rond de 5 procent, en in Hongarije 1,5 procent. Polen, Hongarije en Tsjechië lopen voorop bij het aantrekken van Westerse investeringen. Toch vertellen Nederlandse ondernemers in die landen niet alleen juichverhalen. In Polen en Hongarije ligt de inflatie ruim boven de twintig procent. De regelgeving is vaak onduidelijk of ontoereikend. Er wordt gesjoemeld met de privatisering van bedrijven. Het overheidsapparaat is onvoldoende uitgerust. Infrastructuur ontbreekt of is verouderd. Er is niet genoeg lokaal kapitaal voorhanden om geprivatiseerde bedrijfjes een goede kans te geven. De douane doet soms moeilijk bij de invoer van goederen of grondstoffen, waardoor projecten vertraging oplopen. Dat zijn enkele opmerkingen die Van Aartsen tijdens zijn rondreis te horen krijgt. “Men weet op het ministerie (van Landbouw) absoluut niet wat er aan de hand is. Er is geen visie, er is geen beleid. Men loopt voortdurend achter de ontwikkelingen aan”, zegt een Nederlandse bedrijfsleider in Budapest. Tijdens zijn ontmoeting met minister Van Aartsen erkent de Hongaarse staatssecretaris Zoltan Kis dat zijn land waarschijnlijk het enige land ter wereld is dat subsidies geeft aan de boeren, zonder enig inzicht te hebben in hun belastbaar inkomen.

Ook in de andere hoofdsteden wordt gewezen op het feit dat de landbouw in de Oosteuropese landen zich 'nog in een overgangsfase' bevindt. De in de ministeriële delegatie meereizende vertegenwoordigers van het Nederlandse bedrijfsleven (zoals Avebe, Suikerunie, Rabobank, ABN/Amro, Struik, Coberco en Gascoigne Melotte) zeggen dat hun ondernemingen investeringen in Oost-Europa overwegen of al concrete plannen klaar hebben. “Je moet in de Oosteuropese landen aanwezig zijn om te weten wat de ontwikkelingen zijn en om te kunnen profiteren als de consumptie en produktie in de komende jaren gaan aantrekken”, zegt een ondernemer. Want, zo wordt eensgezind opgemerkt, “er ligt een groot potentieel”. Alleen zullen de komende tijd nog de nodige obstakels moeten worden opgeruimd om de ingezette economische hervormingen tot een goed einde te brengen en aansluiting bij de interne EU-markt mogelijk te maken. “Sommige landen, zoals Polen en Hongarije, zijn optimistisch en gaan ervan uit dat ze tegen 2000 lid kunnen worden van de EU. Ik denk dat het langer gaat duren. 2003 of 2005 misschien, waarschijnlijk nog langer. Elk jaar komt er een jaartje bij”, zegt een vanuit Warschau opererende bankier in het gezelschap.

Veel minder terughoudend is directeur S. van der Zwaag van Farmco, een Fries managementbureau dat heeft geholpen bij de opzet van de demonstratieboerderij in het Slowaakse Nitra. Ondanks zijn goede economische prestaties is Slowakije in Oost-Europa het zwarte schaap geworden door het repressieve binnenlandse beleid van de nationalistische premier Vladimír Meciar. Maar dat kan Van der Zwaags enthousiasme niet drukken. “Politiek wordt het land uitgespuugd, maar voor ons die hier aan de basis werken, is het zo'n land”, zegt hij terwijl hij zijn duim omhoog steekt. “In Hongarije zitten Italianen, Fransen, Duitsers. Tsjechië is een vazalstaat van Duitsland. In Polen zit Jan en Alleman. Hier zit niemand.”

Farmco is een dochterbedrijf van de grote Friese veehandelaar Schaap die ook de koeien aan boer Imrisek in Nitra heeft verkocht. “Hongaren zijn eigenwijs, maar de Slowaken staan open voor veranderingen. Vorig jaar hebben we 1.500 koeien geleverd aan Slowakije. Elke week hebben we wel een groep Slowaken in Friesland om te kijken naar koeien, naar melkmachines of om te praten over managementondersteuning”, zegt Van der Zwaag in het kasteel Dolna Malanta, waar Van Aartsen 's avond een diner krijgt aangeboden. Na afloop speelt een zigeunerorkest en worden gezamenlijk liederen gezongen. De Nederlandse minister glimlacht als zijn Hongaarse gastheer zijn vrouw uitnodigt voor een dans. “We zijn hier in het hart van Europa. We love you even more”, zegt hij.

In de Poolse hoofdstad Warschau wordt niet gedanst. De Poolse minister van Landbouw, Roman Jagielìnski, heeft de regie van het Nederlandse bezoek stevig in eigen hand genomen. Andere frivoliteiten dan een rondgang op een druk bezochte voedingsbeurs op een van de etages in zijn ministerie en een bezoek aan de boerderij van hem en zijn zoons laat hij niet toe. In zijn tafelrede bij het diner in het Holiday Inn Hotel herinnert Jagielìnski aan de rol die Poolse soldaten in de Tweede Wereldoorlog hebben gespeeld bij de bevrijding van Nederland. Ook prijst hij het sluimerend verzet van de Poolse boeren onder het communistische regime, waardoor Solidariteit kon ontstaan. Nu hebben ingrijpende politieke veranderingen plaatsgevonden en behoort Nederland tot de eerste landen die zich melden in Polen, zegt Jagielìnski. Dat mag volgens hem worden beschouwd als de inlossing van een oude schuld. En: “Het is geen kwestie van het geven van humanitaire hulp of zo. Onze relatie moet zijn gebaseerd op gelijkwaardigheid en op competiviteit.”

Minister Van Aartsen krijgt in Warschau het gevoel door Jagielìnski in het defensief te worden gedrukt. Een grote verrassing is dat overigens niet: in gesprekken met de Europese Commissie in Brussel hebben de Polen zich altijd al de lastigste partners uit Oost-Europa betoond, niet geneigd om zich klakkeloos de wil van de EU op te laten leggen. De maatschappelijke betekenis van de landbouw is in Polen veel groter dan in de andere landen: 25 procent van de beroepsbevolking verdient er zijn brood (Hongarije acht procent). “Polen voeren een strategie van confrontatie. Ze verwijten de EU voortdurend dat de agrarische handelsbalans negatief is. Zelf maakt men, als het maar enigzins kan, gebruik van allerlei ontsnappingsclausules. Eigenlijk past dat in de Poolse cultuur van voortdurend protest tegen de heersende ideologie en regelgeving”, zegt een diplomaat. “Ze willen in Brussel volledig gelijkwaardig worden behandeld als de boeren in de EU. Belangrijk is dat er voor de boeren in Polen veel geld komt: hoe en waarvoor is voorlopig nog geen echt onderwerp van discussie.”

Tijdens een wandeling in het grote natuurreservaat Narodowy, even ten westen van Warschau, beklaagt de Poolse topambtenaar Brzoska zich over de vaak nutteloze vergaderingen die hij in Brussel moet bijwonen. “Weet u: ik hou niet zo van symbolen. Ik zou liever willen dat er concreet onderhandeld zou worden. Maar hoe vaak heb ik al niet te horen gekregen van de Europese Commissie: sorry, we zijn nog niet klaar met onze voorstellen. We schuiven het nog maar even door.” Minister Van Aartsen begrijpt de klacht: “Ook de jaarlijkse bijeenkomsten die wij als EU-ministers hebben met onze collega's uit Oost-Europa, stellen in feite niets voor. Daar moet verandering in moet komen. Ik zal daar volgend jaar mee beginnen als Nederland voorzitter is van de EU.”

    • Wim Brummelman