Klimaatbeleid

Het stuk van Folmer en Bulte ('Klimaatbeleid kan niet zonder Derde wereld, 18 juni) biedt een aantal aanknopingspunten die mijns inziens een radicaal andere richting uitwijzen dan de door hen voorgestelde.

Omdat in de westerse wereld alle goedkope manieren van energiebesparing al in gebruik zijn, kan het geld dat beschikbaar is om CO-reductie te bewerkstelligen, beter worden gebruikt om de (energie)groei in de Derde wereld in goede banen te leiden, zo betogen zij. Ik ben het volmondig eens met hen wat betreft het exporteren van zuinige en schone technologie. Dit is noodzakelijk om de economische groei daar niet gepaard te laten gaan met uitstoot aan CO, die te voorkomen en dus overbodig is. Dit is dus zonder meer toe te juichen. Daarmee wordt een emissie-arme groei gestimuleerd.

Dat is mooi voor die ontwikkelingslanden en mooi voor de bedrijven die de kennis exporteren. De kern van de zogeheten 'joint implementation' is echter dat de voorkomen CO-uitstoot wordt toegerekend aan het donorland. Dit zou ons dus ontslaan van de verplichting iets te doen aan ons eigen gebruik van fossiele energie.

Het feit dat wij in het westen de goedkopere manieren om energie te besparen al hebben gebruikt en nog steeds een exorbitant deel van de fossiele-energie-koek opeten geeft te denken. Te meer daar we dit met maar zo'n klein deel van de wereldbevolking doen.

Wanneer een westers land, bijvoorbeeld Nederland, kan voldoen aan haar internationale verplichtingen door in een ander land CO-emissie te voorkomen, zet dit een rem op de ontwikkeling van nieuwe energietechnologie. Het is veel strategischer om het beleid nu al te richten op onafhankelijkheid van fossiele energie. Vroeger of later wordt dat toch onontkoombaar en de daarvoor benodigde technologie is te zijner tijd ook weer te exporteren.

Tijdens de klimaattop in Rio, 1992, zijn de ontwikkelingslanden ontslagen van verplichtingen die hun economische groei beperken. Wanneer ze nu reeds, met onze hulp, hun CO-emissie beperken, moeten ze daar zelf de vruchten van plukken. Dat wil zeggen dat ze dan dus in de toekomst de CO-emissies minder hoeven te beperken, ook omdat ze dan dus minder kunnen beperken. Wanneer de 'CO-winst' op het Nederlandse conto wordt geschreven ontstaat daardoor een gat in de mondiale reductie, dat later door het ontwikkelingsland opgevuld moet worden.

    • Huibert Boer