Het kan met Europa nog alle kanten op

Recent onderzoek wees uit dat de Nederlandse bevolking veel minder ver wil gaan dan de regering en de volksvertegenwoordiging. Van verschillende zijden kwam kritiek op de vraagstelling. Onderzoeker W.E. Saris toetste alternatieve vragen en dient de critici van repliek.

Op 18 juni publiceerde NRC HANDELSBLAD op de voorpagina de uitkomsten van een onderzoek van de Universiteit van Amsterdam en deze krant naar de mening van de mensen over de verdeling van bevoegdheden tussen de nationale staat en de Europese overheid. In dit artikel werd vastgesteld dat er een groot verschil van mening bestond tussen de bevolking en de politici in Nederland over de verdeling van deze bevoegdheden. De bevolking zou veel minder ver willen gaan met de Europese integratie dan de politici.

Dit artikel heeft een rol gespeeld in de discussie over Europa in de Kamer. Er werd geconstateerd dat de mening van VVD-leider Bolkestein duidelijk overeenstemde met de mening van de bevolking. Minister Van Mierlo van Buitenlandse Zaken meende dat deze mening afhing van de formulering van de vragen. Hij suggereerde zelfs een alternatieve formulering van een van de vragen die we hieronder hebben onderzocht.

Op 20 juni publiceerde de Volkskrant een artikel van Marcel van Dam onder de titel 'Suggestieve vragen over Europa'. Volgens Van Dam was het artikel op drijfzand gebaseerd, omdat het “helaas waar is dat je ongeveer elke opvatting kunt laten bevestigen door sociaal wetenschappelijk onderzoek.” Vervolgens gaf hij een aantal voorbeelden van formuleringen van vragen die tot een geheel ander resultaat kunnen leiden dan de vragen die gesteld waren in het onderzoek van NRC HANDELSBLAD en de Universiteit van Amsterdam.

De algemene uitspraak van Van Dam is zeker niet waar. De meeste mensen hebben, bijvoorbeeld, een duidelijk beeld over hun werk, hun woning, hun woonomgeving, het openbaar vervoer, bepaalde tv-programma's en enkele andere onderwerpen waar ze regelmatig mee te maken hebben. In dat soort gevallen zijn de mensen niet makkelijk tot andere antwoorden te brengen wanneer ze anders geformuleerde vragen krijgen voorgelegd.

Er zijn echter ook onderwerpen waarover sommige mensen een overtuigde mening hebben en anderen niet. Een fanatieke tegenstander van kernenergie kun je moeilijk een positieve uitspraak over kernenergie ontlokken. En leden van de Echte Nederlandse Fietsers Bond zul je ook niet snel betrappen op een positieve uitspraak over transport met auto's. Er zijn echter vele andere mensen in de samenleving die over deze onderwerpen geen uitgesproken mening hebben en wel gevoelig zijn voor verschillende formuleringen van de vragen.

Dan zijn er ook nog onderwerpen waar mensen minder van weten en vaak ook niet in geïnteresseerd zijn, zoals partijpolitiek en allerlei economische en politieke maatregelen die niet direct op hen betrekking hebben. Wanneer men over dergelijke zaken vragen stelt dan kan het gebeuren dat men bij verschillende formuleringen zeer verschillende antwoorden krijgt.

Tot de laatste categorie van onderwerpen horen vragen over de verdeling van de bevoegdheden in Europa en de Europese politiek in het algemeen. Dit zal hopelijk niemand verrassen, want dit is reeds jaren bekend en kan worden opgemaakt uit de bereidheid tot deelname aan verkiezingen en onderzoek en de grote hoeveelheid mensen die op dergelijke vragen zegt geen antwoord te weten of geen mening te hebben.

In een dergelijke situatie is het interessant te zien hoe groot het verschil kan zijn in de antwoorden op verschillende vragen. Daarom hebben we eind juni op twee volgens toeval samengestelde subgroepen van het panel van de Stichting Telepanel de eerder gestelde vragen, de vragen van Van Dam, de vraag van Van Mierlo en enkele andere vragen uitgeprobeerd.

Voor het goede begrip is het van belang om op te merken dat deze twee steekproeven op geen enkel kenmerk van elkaar verschilden behalve dat ze verschillende vragen hadden gekregen. In het bijstaande kader staan de resultaten voor twee vragen die centraal stonden in het artikel van Van Dam.

Om te beginnen zou ik willen opmerken dat er in de eerste vraag geen probleem bestaat voor de respondenten wat 'vetorecht' betekent, want dat begrip was netjes uitgelegd. In plaats van de oorspronkelijke formulering is de formulering van Van Dam eerder suggestief door toevoeging van het zinnetje 'als het zijn zin niet krijgt'.

Verder is de vraag zelf in twee versies anders geformuleerd. In de oorspronkelijke versie ligt de nadruk op behoud van zelfstandigheid, bij Van Dams formulering op inperken van wat we zouden kunnen noemen 'machtsmisbruik'. Het resultaat laat zien dat deze combinatie van verschillen in staat is om de meerderheid te laten omslaan van veto handhaven naar veto inperken. Dit zijn zeer grote verschillen in percentages en het lijkt dus dat Van Dam gelijk heeft. Hij verwachtte voor zijn vraag ook een meerderheid.

Zoals we hierboven hebben aangegeven denken de meeste mensen nooit over dit probleem na en zij hebben dus eigenlijk ook geen mening. Het antwoord dat ze geven hebben ze net daarvoor bedacht. Waaraan ze op dat moment denken hangt af van de hints die ze krijgen in de vraag. De vraag uit het onderzoek van de UvA en NRC HANDELSBLAD is een vraag waarin de nadruk ligt op behoud van onafhankelijkheid en dus krijgt men een meerderheid voor het handhaven van het vetorecht. Van Dams vraag suggereert de mogelijkheid van 'dwingelandij' van een land en daarop reageert men met een keuze in meerderheid voor het inperken van dit machtsmiddel.

We hebben de context ook nog duidelijker gemaakt door te vragen wat men vond van het exportverbod van de EU op Brits rundvlees in verband met BSE. Daar stond 85 procent van de bevolking achter. Vervolgens vroegen we wat men vond van de reactie van de Britse regering om zijn veto uit te spreken over alle beslissingen van de Europese Gemeenschap. Daarop antwoordde 10,2 procent dit een rechtmatig gebruik van het vetorecht te vinden; 78,6 procent vond dit misbruik maken van het vetorecht en 11,2 procent had geen mening.

Tot slot hebben we de volgende vraag gesteld aan iedereen: 'Op basis van deze ervaringen kan men zich afvragen of het vetorecht gehandhaafd moet blijven of moet worden aangepast in de vorm van meerderheidsbesluitvorming. Bent u ervoor dat het vetorecht in zijn huidige vorm blijft bestaan of denkt u dat er een vorm van besluitvorming moet worden gerealiseerd op basis van een meerderheid (bijvoorbeeld tweederde van de landen moet akkoord gaan)? 1. vetorecht van elk land handhaven 2. een vorm van beslissen op basis van een meerderheid realiseren 3. weet niet'

Door deze inleidende vragen was men nog meer doordrongen van het feit dat een vetorecht tot excessen kan leiden en zowel de steekproef die de vragen van dit onderzoek had gekregen, als de groep die de Van Dam-vragen had gekregen koos voor de besluitvorming op basis van een ruime meerderheid. De percentages waren respectievelijk 62 en 71. Er is nog wel een verschil, maar niet zoveel als er in eerste instantie was. Blijkbaar was deze informatie zeer overtuigend.

Deze serie vragen illustreert dat de Nederlandse bevolking over dit onderwerp geen uitgesproken mening heeft en er zelfs nooit of bijna nooit over heeft nagedacht. Daarom kan men door de context waarin men de vraag stelt de mensen aan verschillende aspecten laten denken. Hierbij moet wel worden bedacht dat we in dit onderzoek de risico's van het vetorecht hebben benadrukt. We hadden ook het omgekeerde kunnen doen en daarmee de steun voor Europa laten verdwijnen, want deze meningen zijn zeer labiel en weinig overwogen.

Hetzelfde verschijnsel wordt geïllustreerd door de tweede vraag die we hebben onderzocht. Zoals gezegd heeft de bevolking nog weinig aandacht over de verdeling van de bevoegdheden tussen het Europese en het nationale parlement. In de oorspronkelijke vraag werd benadrukt dat uitbreiding van de bevoegdheden van het Europese parlement ten koste zal gaan van het nationale parlement.

In dat geval zijn er relatief weinig voorstanders voor uitbreiding van de bevoegdheid van het Europese parlement te vinden. Wanneer men grensoverschrijdende problemen formuleert en dan naar de verdeling van de bevoegdheden vraagt, dan krijgt men veel meer voorstanders van uitbreiding van de bevoegdheden van het Europese parlement. Ook hier is er dus eigenlijk geen vaste mening aanwezig en krijgt men dus een reactie op een vraag in een specifieke context. Minister Van Mierlo suggereerde in de Kamer nog een vraag als deze: 'Momenteel heeft het Europese parlement veel minder bevoegdheden ten opzichte van de Europese Commissie dan de nationale parlementen ten opzichte van de nationale regeringen.

Men kan de bevoegdheden van het Europese parlement vergroten ten koste van die van de Europese Commissie. Vindt u dat de bevoegdheden van het Europese parlement moeten worden uitgebreid ten koste van de bevoegdheden van de Europese Commissie? 1. ja, de bevoegdheid van het Europese parlement moet worden uitgebreid 2. nee, geen uitbreiding van de bevoegdheden 3. ik weet het niet'

Het resultaat van deze vraag was weer anders. Nu was 41,8 procent voor uitbreiding en 20,3 procent tegen, terwijl maar liefst 37,9 procent geen mening had. Het meest opmerkelijke is misschien wel het aantal 'weet niet'-antwoorden. Dit geeft aan dat dit een vraag is waarover men in het geheel nooit gedacht heeft en zelfs denkt ook geen antwoord te kunnen formuleren. Als men echter een antwoord formuleert dan is dit een antwoord op een geheel andere vraag dan vraag 2 omdat nu een andere tegenstelling wordt geschapen.

Op grond van deze beschouwing zou ik op twee punten willen wijzen. Het eerste punt is dat men niet zo maar elke vraagvariant kan formuleren, want op een gegeven moment formuleert men een vraag voor een ander probleem. Het tweede punt is dat men voor onderwerpen waar de mensen nauwelijks over hebben nagedacht niet de weloverwogen mening krijgt van de bevolking, maar een eerste reactie gebaseerd op de context die voor de vraag wordt aangedragen. Hoewel deze eerste reactie zijn waarde heeft als momentopname, moet men met de interpretatie zeer voorzichtig zijn. Hierboven heb ik met een simpel experiment het effect van informatie in een dergelijke situatie aangegeven. Deze situatie zou de EU-parlementariërs en Commissie minstens zo te denken moeten geven als het negatieve beeld dat eerder geschetst werd in het onderzoek van de UvA en NRC HANDELSBLAD. Uit mijn simpele onderzoek bleek dat informatie grote invloed kan hebben op de meningsvorming. Deze kan positief uitvallen voor Europa, zoals we hebben laten zien, maar deze kan naar mijn mening even makkelijk negatief uitvallen.

Het wordt dus tijd voor het opbouwen van een Europees gevoel en een Europese identiteit en voor het verbreiden van inzicht in de noodzaak van Europa bij de bevolking, zodat een stabielere mening over Europa ontstaat.

Tot slot, ter geruststelling van de meeste politici, nog het volgende. Het is duidelijk dat iedereen de mening van het volk op dit gebied kan vertegenwoordigen, niet alleen Bolkestein. Zolang de bevolking nog geen weloverwogen mening heeft over en ook zeer weinig interesse heeft in Europa kan de uitslag van een enquête nog alle kanten opgaan.