Wereldleiders dreigen Serviërs met sancties

LYON, 1 JULI. De leiders van de zeven rijke industrielanden (G7) en Rusland hebben zaterdag op hun top in Lyon gedreigd met sancties tegen Joegoslavië en de Servische Republiek in Bosnië als zij niet meewerken aan de verwijdering van de Bosnisch-Servische leider Karadzic die van oorlogsmisdaden wordt verdacht.

“We blijven erbij dat Karadzic onmiddellijk en voorgoed al zijn publieke functies neerlegt en niet meer deelneemt aan regeringsbeslissingen. Hij moet al zijn bevoegdheden overdragen aan nieuwe functionarissen”, zo staat in een aparte verklaring van de acht staatshoofden en regeringsleiders. “We zijn klaar om het opleggen van sancties tegen elke partij in het vredesakkoord te overwegen.”

Een herinvoering van de eerder dit jaar opgeheven sancties tegen Servië is volgens het Dayton-akkoord en een bestaande VN-resolutie mogelijk als er onvoldoende vooruitgang wordt geboekt bij de uitvoering van het vredesakkoord, zei Witte-Huis-woordvoerder Mike McCurry zaterdag. Volgens de verklaring van de acht leiders zullen zij een herinvoering overwegen als zij daartoe een aanbeveling krijgen van de civiele vredescoördinator in Bosnië, Carl Bildt, of van de commandant van de vredesmacht IFOR. Bildt zei afgelopen vrijdag dat Karadzic vandaag zou moeten zijn afgetreden of er zouden sancties worden opgelegd.

De presidenten Clinton en Chirac zeiden zaterdag niet van zo'n tijdslimiet te weten. Maar de Britse premier Major zei: “Ik denk dat we binnen enkele dagen een antwoord van Karadzic zullen hebben, maandag of eerder. Zo niet, dan denk ik dat we zeer snel maatregelen zullen nemen.”

Volgens de wereldleiders is er ook hulp beschikbaar voor de Servische Republiek i Bosnië in het kader van het vredesakkoord, zodra Karadzic het politieke toneel verlaten heeft. De Verenigde Staten oefenen al weken druk uit op de Servische president Milosevic om Karadzic ervan te overtuigen dat hij zich moet terugtrekken en bij het Haagse oorlogstribunaal moet melden voor vervolging.

De grote landen vragen in hun verklaring ook om de steun van de vredesmacht IFOR bij de Bosnische verkiezingen te versterken, door onder meer het scheppen van “een veilige omgeving” en het geven van logistieke ondersteuning. Zij roepen ook alle donoren van de economische wederopbouw op de betaling van hun toegezegde bedragen voor 1996 te versnellen, zodat ten minste vijftig procent hiervan in december van dit jaar beschikbaar is en honderd procent in juni 1997.

De acht leiders namen voorts een veertig punten tellend plan aan voor bestrijding van de georganiseerde misdaad en het terrorisme, waarover een speciale ministersconferentie zich binnen enkele weken zal buigen. Bij de maatregelen die tijdens de top van 1997 in Denver moeten worden geëffectueerd, gaat het onder meer om het opzetten van internationale netwerken voor informatie-uitwisseling, een betere regeling voor uitlevering van verdachte personen en betere bescherming van getuigen.

De leiders gaven ook een krachtig signaal aan de nieuwe Israelische regering van premier Netanyahu het vredesbeleid voort te zetten. “We hebben gezien dat het thema van Israels veiligheid een zeer belangrijke rol speelde in de verkiezingscampagne. We zijn er van overtuigd dat de veiligheid van alle volken in de regio uiteindelijk alleen kan worden gerealiseerd door een alomvattende, rechtvaardige en duurzame vrede”, zo staat in de politieke slotverklaring. De leiders zeggen uit te kijken naar volledige opheffing door Israel van de afsluiting van de Palestijnse gebieden.

Volgens de acht leiders heeft het vredesproces een “nieuwe impuls” nodig, waarbij het principe “land voor vrede” moet blijven gelden. De Palestijnse leider Arafat wordt opgeroepen de naleving van mensenrechten en de ontwikkeling van democratische instituties te bevorderen.

Net als in de economische slotverklaring wordt ook in het politieke communiqué aangedrongen op grondige hervormingen van de VN.