SVB: kosten van AOW hoeven niet omhoog te gaan

DEN HAAG, 1 JULI. De AOW is de afgelopen tien jaar niet duurder, maar goedkoper geworden. Ook in de toekomst hoeven de kosten van de AOW niet sterk te stijgen. Dat staat in een recente discussienota van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) over de financiering op lange termijn van de oudedagsvoorziening. De SVB is de instelling die de AOW uitvoert.

Volgens de discussienota is het beeld van oplopende AOW-premies (van 11,6 procent in 1985 naar 15,4 procent in 1996) enigszins misleidend. Sinds 1985 hebben verschillende belastingmaatregelen geleid tot een daling van de premiegrondslag voor de AOW. De SVB noemt ondermeer de operatie-Oort, de 'bevriezing' van de eerste belasting- en premieschijf, hogere belastingvrije voet, het hoger arbeidskostenforfait. Om hetzelfde bedrag binnen te krijgen, moesten de premies wel omhoog. Zonder deze ingrepen zou een daling van de AOW-premie mogelijk zijn geweest van 11,6 tot 10,0 procent.

Ook uitgedrukt als percentage van het nationaal inkomen is de AOW de afgelopen tien jaar goedkoper geworden (van 6,1 procent in 1985 naar 6,0 in 1995). Dat komt doordat de groei van het aandeel 65-plussers in de bevolking is gecompenseerd door de veelvuldige bevriezingen van de AOW-uitkeringen.

Ook bij een blijvende koppeling van de AOW aan de CAO-lonen hoeft er echter geen gevaar te bestaan voor de betaalbaarheid van de oudedagsvoorziening. Dat komt vooral doordat een volledige koppeling nog geen welvaartsvaste AOW oplevert. De gemiddelde lonen (inclusief promoties en incidentele loonstijgingen) gaan jaarlijks sneller omhoog dan de CAO-lonen. Hierdoor neemt ook de belastinggrondslag toe. Op de lange termijn weegt dit effect min of meer op tegen de toeneming van het aantal 65-plussers en gaan de kosten van de AOW, als percentage van het verdiende inkomen, maar weinig omhoog.

De keerzijde hiervan is wel dat de hoogte van de AOW steeds verder achterblijft bij de gemiddelde loonontwikkeling. Bij een incidentele loonstijging van één procent per jaar kan het verschil zelfs oplopen tot vijftig procent in 2035. Voorzover dit op politieke bezwaren stuit, zijn alsnog aanvullende maatregelen gewenst.

De discussienota inventariseert een groot aantal voorstellen om de AOW op de lange termijn betaalbaar te houden. Verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd van 65 tot 67 jaar kan een flinke besparing opleveren. In 1995 zou het gaan om 4,4 miljard gulden, ofwel 13,4 procent van de uitkeringslasten. Het probleem hiervan is echter de zeer lage arbeidsdeelname van 60- tot 65-jarigen. Hierdoor zal de feitelijke besparing een stuk lager uitvallen, omdat een groot deel van de betrokkenen een beroep zal doen op de VUT, de WW of de WAO.

Een andere mogelijkheid is het betalen van AOW-premie door bejaarden over hun aanvullend pensioen. Volgens de SVB kan dit de AOW-premie voor werkenden met twee procent verlagen. Het geld kan ook worden gebruikt voor een royaler koppelingsbeleid. De AOW zou dan een half procent minder kunnen achterblijven bij de gemiddelde loonontwikkeling.

Een derde mogelijkheid is het opzetten van een bufferfonds om toekomstige premiestijgingen op te vangen. Volgens de discussienota kan zo'n fonds zonder al te grote administratiekosten door de Sociale Verzekeringsbank worden beheerd. Als nadeel geldt hier de tijdelijk hogere AOW-premie die nodig is om het fonds te vullen. Hierdoor neemt de belasting- en premiedruk op arbeid toe en dat is slecht voor de werkgelegenheid. “Het genoemde nadeel voor de werkgelegenheid geldt niet als men het fonds financiert uit een hogere heffing op de aanvullende inkomens van 65-plussers.”

Een ander nadeel is dat niet bij voorbaat duidelijk is op welk moment het fonds moet worden aangesproken. “Hierdoor loopt men het gevaar dat een dergelijk fonds door politieke overwegingen niet op de juiste wijze wordt aangewend”, aldus de discussienota. Om de oudedagsvoorziening betaalbaar te houden, zullen volgens minister Melkert (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) ook 65-plussers mee moeten betalen aan de AOW. Bovendien is een versobering van aanvullende pensioenen nodig door een overgang van een eindloonsysteem naar een pensioen op basis van het gemiddeld verdiende loon.