Onvermoeibare burgervader overal voor in

Na elf jaar verlaat burgemeester Havermans Den Haag om lid te worden van de Algemene Rekenkamer. De meningen over zijn verdiensten voor de armlastige stad zijn verdeeld. Maar over één ding zijn vriend en vijand het eens: Havermans was een onvermoeibaar ambassadeur voor de residentie.

Er waren veel lovende woorden voor de burgemeester bij het afscheid in het nieuwe stadhuis in Den Haag. “Een man met een ongelooflijk doorzettingsvermogen, een tomeloze inzet en enthousiasme, maar bovenal een zeer sympathieke man”, zei minister Dijkstal. Havermans heeft zich volgens de minister in de eerste plaats een “voortreffelijk gastheer” voor de regering en voor de ambassades betoond. Hij was bovendien een “topverkoper” voor Den Haag met een scherp instinct voor internationale contacten, iemand die de VN-organisatie OPCW tegen de verspreiding van chemische wapens, Europol en het Tribunaal voor de berechting van oorlogsmidadigers uit het voormalige Joegoslavië naar Den Haag wist te halen.

Behalve veel hoogwaardigheidsbekleders kwam vrijdag ook de Haagse burgerij naar het stadhuis om Havermans te bedanken voor zijn betrokkenheid. Hij was altijd voor iedereen aanspreekbaar, zijn telefoonnummer stond gewoon in de gids, hij stapte in de weekeinden tijdens zijn vele fietstochten door de stad regelmatig af om met de burgers een praatje te maken, niet zelden om hun gekanker over de dreigende verloedering van de een of andere wijk aan te horen. “De mopperaars komen niet alleen uit de oude stadswijken”, zegt hij fijntjes.

Zelden liet CDA-burgemeester Havermans verstek gaan. Overal was hij aanwezig om Hagenaars een hart onder de riem te steken, vooral de Hagenaars die zoals hij zelf zegt “een steuntje in de rug nodig hebben”. Havermans: “Het uiteindelijke doel waarvoor we als lokale overheid werken, is het welzijn van de mensen. Bij ons gaan ze naar school, moeten ze werk hebben en worden ze geholpen in de bijstandswet of met tafeltje-dek-je. Bij ons wonen en recreëren ze. En sommige mensen kunnen zichzelf niet redden omdat ze geen werk hebben, of gehandicapt zijn, of oud worden, of allochtoon zijn en de taal niet spreken. Die mensen vragen meer energie, aandacht en geld om ze zo snel mogelijk zodanig te laten bijspurten dat ze in dezelfde positie komen als andere mensen. Het blijft onze taak, met name voor jongeren, om mensen een perspectief te bieden.”

Niets was de rooms-katholieke burgemeester te dol. Hij was als “provinciaaltje” overal voor in. Zijn vrouw Greetje ook trouwens. Zij heeft zich met volle overgave gestort in het vak van burgemeestersvrouw. Als ze al van Havermans' zijde week, dan was het om zelf een toespraak te houden of in haar eentje een plechtigheid op te luisteren. Vrijdag kreeg ze van Dijkstal de versierselen opgehangen behorend bij de onderscheiding tot ridder in de orde van Oranje-Nassau.

Loco-burgemeester Meijer memoreerde dat elf jaar geleden de vraag werd gesteld of er iets goeds kon komen uit Doetinchem, de vorige standplaats van Havermans. Een vraag die volgens Meijer met een volmondig ja kan worden beantwoord. Hij roemde vooral de sociale bewogenheid van Havermans, voor wie het opkomen voor de zwakkeren een “dure plicht” is geweest. “Je geloofde onvoorwaardelijk in het harmoniemodel, het bouwen van bruggen is een eigenschap die jou op het lijf is geschreven”, aldus Meijer, die Havermans als een ouderwetse “burgervader” omschreef.

Kritiek is er ook. “Wat deze ongelooflijk gedreven sjouwer en op verzoenen ingestelde bestuurder niet heeft kunnen brengen in Den Haag”, schreef de Haagsche Courant vrijdag, “zijn de allure, de kracht, de overtuiging om de residentie van het staatshoofd een evenwaardige plaats te geven naast de écht grote steden Amsterdam en Rotterdam.” Veel te lang zou Havermans, zelf gepromoveerd op de status van artikel-12-gemeenten, hebben gewacht om Den Haag in ruil voor financiële steun onder curatele van het rijk te stellen, kennelijk in de veronderstelling dat zoiets door Hagenaars als smadelijk zou worden ervaren. Een dag later volgde nog een zuinig hoofdredactioneel commentaar in dezelfde krant. De onvermoeibare Havermans had dan wel het hart op de juiste plaats gehad, maar de balans is toch dat onder zijn leiding de stad failliet ging en dat hij achteraf bezien beter ferme besluiten had kunnen forceren dan voortdurend op de achtergrond naar consensus te zoeken. Nu ja, zijn inzet geeft hem dan toch krediet: “Misschien zal de stad hem nog eens missen.”

Na 33 jaar burgemeesterschap in achtereenvolgens Pannerden, Druten, Doetinchem en Den Haag houdt dr. A.J.E. (Ad) Havermans (Bergen op Zoom, 1934) het voor gezien. Zijn vertrek kwam als een verrassing, ook voor de wethouders die allemaal dachten dat hij over een jaar, na zijn tweede ambtstermijn, gewoon met pensioen zou gaan. Waarom begint Havermans op zijn 61ste een nieuw leven bij de Algemene Rekenkamer? “Dat is niet zo moeilijk te beantwoorden”, zegt de kleine burgemeester in zijn grote kamer in het stadhuis. “Ik had lang geleden al aangekondigd dat ik vind dat je nooit langer dan twee termijnen op een post als deze moet zitten. Ik vind elf jaar eigenlijk al heel lang, maar toen mij werd gevraagd of ik belangstelling had om lid te worden van de Rekenkamer, en ik daar met de Rekenkamer een paar gesprekken over gehad had, wist ik dat me dat zeer aantrok. Ik voelde me zeer bevoorrecht dat werk te gaan doen. Ik voelde me nog te jong om niks te gaan doen. Ik denk dat het ook goed is voor de stad dat er na elf jaar een keer iemand anders komt die op zijn of haar manier die plek gaat invullen.”

Wat gaat hij bij de Rekenkamer doen? Havermans: “De Rekenkamer heeft nu juist besloten, in goed overleg natuurlijk met het parlement, het onderzoeksprogramma meer te richten op de doelmatigheid dan op de rechtmatigheid van de rijksuitgaven. Het gaat dus bij het toezicht niet alleen om de vraag of de begroting niet is overschreden, maar ook om de vraag of de doelen worden bereikt die politiek gesteld zijn. Het tweede is dat de Rekenkamer steeds meer te maken krijgt met verzelfstandigde overheidslichamen die onder de bevoegdheid van de Rekenkamer vallen. Het derde is dat de Rekenkamer steeds meer betrokken zal zijn bij het toezicht op gelden die door lagere overheden worden uitgegeven in zaken die namens het rijk door gemeenten worden uitgevoerd, bijvoorbeeld bijstand, huursubsidie en woningbouw. En als ik nu het net vastgestelde onderzoeksprogramma van de Rekenkamer zie voor de komende jaren, dan zitten daar talloze onderwerpen in waar ik hier mee te maken heb gehad, met name als het gaat om het bereiken van doelstellingen.”

De burgemeester - jasje uit - vertelt dat hij moet bekennen dat toen hij naar Den Haag kwam, hij vooraf niet in alle opzichten besefte dat de problematiek van de oude stadswijken in de ingeklemde stad zo hevig zou zijn. “Ik had niet beseft dat de problematiek harder zou doorwerken dan in de andere grote steden.” Den Haag zit al jaren om ruimte verlegen. “Voor alles wat je doet, moet je hier naar de buren”, zegt Havermans. Een industrie overplaatsen, een afvalinstallatie bouwen, mensen uitplaatsen bij stadsvernieuwing, dat moet allemaal buiten de stad gebeuren.

Er is volgens Havermans een “permanente druk” om de Haagse parken te bebouwen, een weg door de duinen heen te leggen, stukjes van het groen af te snoepen. Want waar andere gemeenten met de winsten van het gemeentelijke grondbedrijf de complete infrastructuur van de eigen stad kunnen bekostigen, lijdt het Haagse grondbedrijf alleen maar verlies op de stadsvernieuwing. Uitbreidingswijken zijn er niet of nauwelijks. Vandaar dat een van de eerste dingen die hij deed, het verbeteren van de relatie met de omliggende gemeenten is geweest. “Dat is gelukt”, zegt Havermans. Er is nu een zekere mate van solidariteit tussen Den Haag en de omliggende gemeenten, een basis van waaruit de door Havermans zo vurig bepleite stadsprovincie zou kunnen ontstaan.

Was de veelbesproken financiële schuld van Den Haag nu eigenlijk onvermijdelijk? Havermans: “Ja, als je ten minste niet de stadsvernieuwing of de bodemsanering had willen stilleggen. Als men in de jaren tachtig was gestopt met de stadsvernieuwing tot het geld van de rijksoverheid er eindelijk was, dan zouden we nu niet in de Schilderswijk en in Laakhaven al die bouwkranen zien. Dan zou de nieuwe Vaillantlaan er nog niet zijn geweest. Men moest dus wel doorgaan.”

Maar mocht Den Haag wel doorgaan met deze veel geroemde stadsvernieuwing? Hoe zou de Rekenkamer over zoiets oordelen? Havermans, teleurgesteld over de vraag: “Er is hier nooit geld weg geweest. Het geld uit het fonds stadsvernieuwing is besteed aan de stad. Als u zo'n vraag stelt, moet ik eerst weer helemaal uitleggen hoe zoiets gaat. Je koopt als gemeente bijvoorbeeld een hele straat op omdat die gesloopt moet worden. Zo koop je het ene jaar misschien voor tweehonderd miljoen gulden, meer dan je eigenlijk kunt besteden, om het volgend jaar minder te hoeven kopen. Want als je in het grootste stadsvernieuwingsgebied van Nederland in staat bent om te kopen en om vervolgens die bodem te saneren voor het bouwrijp maken van de grond voor de nieuwbouw, dan ben je als bestuurder blij dat je de gang er in krijgt. Je bouwt door voor de goede zaak. Stoppen was niet verantwoord geweest. U heeft gelijk als u zegt dat het niet best zou zijn als we zouden leven in een land waarin gemeenten geld zouden uitgeven dat ze niet zouden hebben. Dan is uw vergelijking met de Rekenkamer terecht. Overigens zijn dit allemaal raadsbesluiten geweest. En de uitgaven waren in elk geval niet ondoelmatig.”

Er is, verstout de burgemeester zich op te merken, de afgelopen elf jaar het nodige bereikt. Weliswaar is er van een stadsprovincie of herindeling nog geen sprake, maar door artikel 12, de hogere stadvernieuwingsgelden, de herverdeling van het Gemeentefonds en het groter-stedenbeleid staat Den Haag er financieel beter voor dan tien jaar geleden. Toen hij zijn functie aanvaardde, moest een slepende ruzie over het Wilhelmina-monument worden opgelost. Er stond nog een leeg paleis aan het Lange Voorhout. Er moest een fusie komen tussen de Haagse hogescholen. Die dossiers zijn opgelost. Daarna kwamen er weer nieuwe dossiers. De prostitutie is nu geregeld en beperkt tot drie straten. Er is een beleid voor nachthoreca zodat mensen die in de Haagse binnenstad een huis kopen ervan verzekerd kunnen zijn dat ze niet 's nachts wakker worden van het lawaai. De gewelddadige viering van de nieuwjaar lijkt tot het verleden te gaan behoren. Er zijn duizenden illegale speelautomaten weggehaald. En het aantal coffeeshops is van honderdvijftig teruggebracht naar negentig.

De suggestie dat Den Haag onder Havermans is schoongeveegd, gaat hem echter te ver. De drugsoverlast krijg je nooit helemaal weg, zegt hij. En hij zegt zich vreselijk te ergeren aan grafitti. “De lieden die onze gebouwen volkalken, weten niet half wat voor schade ze aanrichten en wat voor ergernis ze mensen bezorgen.” Hij vindt in het algemeen dat Hagenaars de gemeente niet goed helpen bij het schoonhouden van de stad. “Ik doe niets af aan de verantwoordelijkheid van de gemeentelijke overheid, als ik zeg dat ik zou willen dat men zijn eigen straatje veegt.

“Als je aan het einde van de Utrechtsebaan als automobilist staat te wachten tot het licht op groen springt en je kijkt naar de vluchtheuvel daar, dan ligt die vol met blikjes, frietenbakjes en noem maar op die men gemakshalve, omdat men daar toch moet wachten, uit het raam dondert. Dat men op ons moppert dat we het achterstallig onderhoud niet hebben kunnen bijhouden door te weinig inkomsten, is terecht. Maar dat betekent niet dat iedereen alles zomaar neer moet gooien. Dat is een kwestie van mentaliteit, en daar hebben we wel wat zorgen over.”

Havermans blijft overigens in Den Haag wonen. “Ik werk er toch? Den Haag is een fijne stad waar we dan wel eens vaak mopperen, maar waar als het er op aan komt, iedere Hagenaar niet zal tolereren dat je aan zijn stad komt. Den Haag is een wereldstad.”

    • Arjen Schreuder