Krachttraining als pepmiddel

Bettine Vriesekoop is een van de oudste tafeltennissters op de Olympische Spelen. In de voorbereiding boorde ze met krachttraining nieuwe energie aan. “Was ik daar maar eerder mee begonnen. Ik train zonder moe te worden.”

Morgen vertrekt Bettine Vriesekoop naar de Verenigde Staten. Eind deze week neemt ze er in Fort Lauderdale (Florida) deel aan de open Amerikaanse kampioenschappen, vervolgens slaat ze haar trainingskamp op in Augusta, Georgia. In het gezelschap van de tafeltennisselecties van Japan, Roemenië en de VS. “Ik train daar op details. Verder is het belangrijk dat ik me daar lekker voel. Veel ontspannen.” Onder details verstaat Vriesekoop haar service. “De laatste week voor de Spelen ga ik een uur per dag serveren, zodat ik dat blind kan doen en zelfs bij een stand van 20-19 de moeilijkste service durf te spelen.” Dinsdag 23 juli speelt ze in Atlanta haar eerste wedstrijd.

Het vertrek gaat gepaard met een gevoel van opluchting. “Ik moet er niet aan denken om nog langer hier te blijven”, zegt ze in haar woning in Amsterdam. “Het is prettig om straks onbereikbaar te zijn, allerlei publikaties in Nederland over de Olympische Spelen niet meer te hoeven lezen. Als je pas een week van tevoren weggaat, moet je hier steeds zelf koken, je rekeningen betalen en dan is er nog de rompslomp van NOC*NSF. Elke dag komt er wel een nieuwe brief binnen met aanwijzingen wat je nu weer moet doen.” Die plichtplegingen, daar houdt Vriesekoop niet van. Zelfs de openingsceremonie is aan haar niet besteed. “Ik weet nog niet of ik ga. Eigenlijk kost het te veel energie.”

Twee weken geleden keerde Vriesekoop terug van haar laatste grote trainingsstage in het buitenland. Tien dagen bivakkeerde ze in Japan, waar ze twee keer per dag trainde. Na het dagelijkse portie training voelde ze zich allerminst uitgeput. “Ik had steeds het gevoel dat ik nog wel een sessie kon doen. Het bevordert ook je spelplezier als je nog wat over hebt.” Vriesekoop schrijft dat surplus toe aan de krachttraining die ze vorig jaar in haar voorbereiding op wedstrijden introduceerde. Het gaf haar niet alleen letterlijk meer kracht, de motivatie kreeg er ook een nieuwe impuls door. “Je bent je grenzen weer aan het verleggen.”

“Toen ik vorig jaar terugkwam van het WK in China, besloot ik nog één jaar alles zo goed mogelijk doen. Mijn zwakke punt was dat ik mijn niveau te kort kon vasthouden. Drie, vier dagen lukte, maar vijf dagen niet. Ik was ook vaak ziek, ik was veel verkouden. Na een griepje duurde het weer drie tot vier weken voordat ik op m'n niveau terug was. Ik heb de laatste jaren voortdurend op mijn tenen gelopen, ik heb mezelf te veel uit lopen logen.”

Ruim een jaar geleden begon Vriesekoop met krachttraining. “Ik kreeg ook het advies om middelen te gebruiken om mijn weerstandsvermogen te vergroten, zogenoemde celbeschermers. Het is een ouderdomsremmer, die ook wordt gebruikt om de vorming van kankercellen tegen te gaan. Ik ben toen ook begonnen met creatine, spul waardoor je sneller herstelt.” Sindsdien zette Vriesekoop drieëneenhalve kilo vet in spierweefsel om. “Ik voel me fysiek nu zoveel sterker.”

Bloedarmoede heeft ze niet meer, bij tests bleek het herstelvermogen van haar spieren uitmuntend, terwijl haar vetgehalte was gedaald van achttien naar vijftien procent. “Ik ben er achter gekomen dat leeftijd geen rol hoeft te spelen.” Ze wijst op de atleten Merlene Ottey en Christie Linford, beiden 36 jaar oud. “Ik wil het niet over doping hebben, maar natuurlijk slikken zij ook middelen om fit te blijven. Als je eigen lichaam bepaalde stoffen niet meer aanmaakt, moet je daarbij een handje helpen.”

Haar voorbereiding op Atlanta werd in oktober wreed verstoord door het overlijden van haar moeder. “Toen is er een paar maanden de klad in gekomen. Conflicten met de bondscoach speelden me toen ook parten. Vlak daarvoor speelde ik echt ongelooflijk goed. Als ik die stijgende lijn vanaf september vast had kunnen houden...”

Tot voor kort trainde Vriesekoop nog twee keer per dag, in totaal vier uur. Enkele weken geleden stopte ze met intensieve krachttraining. “Tafeltennis is een gevoelssport, het luistert allemaal erg nauw. Ik zou er langzamer van worden, waarschuwden ze me. Maar de volleyballers hebben het ook gedaan en zijn er hoger door gaan springen. Alleen in het begin ging het allemaal wat trager.”

De afgelopen maanden heeft Vriesekoop zich in alle rust kunnen voorbereiden op de Olympische Spelen. “Er was wel een gevecht over wie de baas over mij mag zijn. Dat heb ik gewonnen. Ik ben mijn eigen baas.”

Atlanta is Vriesekoops laatste olympische kans. Volgend jaar, na de Top-12 die dan in februari in Eindhoven wordt gehouden, zet ze een punt achter haar carrière. “Als ik die win, zou dat een mooi afscheid zijn.” Maar eerst de Spelen. “Natuurlijk moet ik reëel zijn, maar daar heb ik schijt aan. Ik train er vijf uur per dag voor. Als ik daar van een betere tegenstander verlies, ok. Maar ik ga ervan uit dat de mogelijkheden onbeperkt zijn. Als je dat niet denkt, ben je een recreant. Als ik in een wedstrijd alles op tafel kan leggen, denk ik dat iedereen uit moet kijken. Maar dat moet ik dan wel een keer of drie achter elkaar doen. In elke partij scherp zijn, daar draait het om.” Het olympisch erepodium komt volgens Vriesekoop alleen in beeld als ze 'wereldpartijen' op tafel legt. “Alles moet kloppen en je moet geen 100 maar 120 procent zijn.” Meer dan ooit wil Bettine Vriesekoop de onverslaanbare Chinezen verslaan.

BETTINE VRIESEKOOP

34 jaar

Tafeltennisster

Derde Olympische Spelen, nam eerder deel in Seoel (1988) en Barcelona (1992).

Grootste olympiër aller tijden? “Carl Lewis.” Welke boek neem je mee naar Atlanta? “Ik neem er zes mee. Ze liggen al klaar. De autobiografie van de Dalai Lama, De laatste zucht van de Moor van Salman Rushdie, De eindeloze liefde van Flora Groult, Mijn zomer met George van Marilyn French en De vanger in het graan van Salinger.”

Naast wie wil je daar aan het ontbijt zitten? “Naast Pete Sampras, op voorwaarde dat hij zijn tong in zijn mond houdt.”

Wat mag er in Nederland niet gebeuren als je in Atlanta bent? “Er mag niks ergs met m'n vrienden gebeuren.”

Wie verdient er een gouden medaille? “Ik.”