Duiven schieten in de palombière

Dicht bij de camping was in het bos een boom waar een soort ruwe ladder tegen stond die naar een uitkijkhut voerde. Natuurlijk wilde Esra daarin klimmen, maar die ladder zag er met zijn schots en scheef getimmerde houtjes onbetrouwbaar uit, en verder dan een tree of twintig liet ik hem niet gaan.

Dat knaagde; misschien had ik hem om niets van een avontuur beroofd. Bij de campingleiding vroeg ik of men die boom kende, en of die ladder betrouwbaar was. Dat laatste wist men niet, maar wel dat dat hutje geen uitkijkpost was maar een palombière, een schuilhokje om op duiven te schieten. Als ik het echt wilde weten, dan moest ik het aan Jeannot vragen, de boer naast de camping. Die zei dat ik er goed aan had gedaan mijn zoon die ladder niet te laten beklimmen, die was oud en wrak. Maar als ik graag een palombière wilde zien, eentje waar we in konden, dan moesten we om 4 uur klaar staan bij de uitgang van de camping. Na een kilometer of vijftien, waarvan de laatste twee over een karrespoor door een donker bos, stopten we bij een klein houten huisje. Een eindje daar vandaan was een boom met een smalle ladder die angstwekkend hoog het gebladerte in voerde, zo hoog dat vanaf de grond niet te zien was waarheen. Terwijl Jeannot, roepend en op zijn vingers fluitend, op zoek ging naar de baas van de palombière, ontdekten wij naast het huisje een soort grote kippenren waar tientallen duiven koerend bijeen zaten. Genezen slachtoffers van de palombière, een soort krijgsgevangenkamp?

Jeannot riep ons: zijn vriend kwam eraan. Even later daalde vanuit het gebladerte een lift omlaag; een tegenwicht steeg op. Pas nu zag ik de kabels. De lift was een soort kooi, gevlochten van groengeverfd staaldraad. Erin stond een oude man die zich omlaag trok aan de kabel die de lift geleidde. Hij was een gemoedelijke reus, met nog één tand in zijn mond. Ik sprak mijn verbijstering en bewondering uit over zijn lift, de eerste lift naar een boomkruin waar ik ooit van had gehoord, maar dat deed hij af met een wegwerpend gebaar: op zekere dag was hij gewoon te oud geworden om steeds weer die ladder te beklimmen, en toen had hij maar een lift gemaakt. Hij nodigde ons uit om boven te komen kijken, en steeg weer op.

Jeannot, Esra en ik beklommen de groengeverfde ladder die behoorlijk deinde. Eigenlijk waren het twee, drie ladders aaneen; een reuzenmagirusladder. Een meter of twintig boven de grond kwamen we door een luik een hutje binnen, maar daarmee waren we er nog niet. In het dak van dat hutje was weer een luik. Je kon zien hoe de palombière in de loop der jaren was gegroeid, want door dat luik kwamen we in een tweede hutje dat bovenop het eerste was gebouwd, en pas daar weer op bevond zich de palombière van nu.

Toen we daar binnen kropen ging juist een zijwand open en de oude baas stapte uit de lift naar binnen. Het wiegde een beetje in dat kamertje van twee bij twee, en we waren daar met z'n vieren, onder wie drie niet vederlichte volwassenen, maar Jeannot zei dat het safe was. We zaten trouwens niet zomaar in een boom begreep ik, het hutje werd door de takken van verschillende bomen gedragen.

Het uitzicht was adembenemend, over alle boomkruinen heen, een eindeloos weiland van bladeren.

Er was een stoel in de palombière, en tegen een wand hing een opklaptafeltje dat met een touwtje kon worden neergelaten. Maar de koordjes van ijzerdraad waar een andere wand mee vol hing waren van meer belang. Esra en ik mochten eraan trekken; bij ieder koordje klapte er uit de top van een andere boom een platformpje tevoorschijn dat tussen de bladeren verborgen had gezeten. Nu waren die platformpjes leeg, maar als de palombière in gebruik was zaten daar vrouwtjesduiven op vastgebonden - de duiven die we in het hok beneden hadden gezien. Kwamen er dan mannetjesduiven in de buurt, dan trok de baas aan het koordje van de boom waar hij ze heen wilde lokken, het vrouwtje klapte ineens vanuit het gebladerte te voorschijn, wiekte verschrikt met haar vleugels, de mannetjes doken op haar af, en - PAFF.

Urenlang, soms dagenlang, zat de oude man over het verre bladerenweiland uit te kijken, het geweer op de knieën, wachtend op duiven. De gedode duiven die hij beneden vond at hij soms op, maar soms ook niet; het ging om de sport. Een meditatieve sport leek me, net zoiets als hengelen, en het moet in heel Frankrijk, maar vooral in de Dordogne, zeer populair zijn. Er zijn daar talloze palombières in de bossen maar geen ervan, zo bevestigde Jeannot mijn veronderstelling, was zo mooi, zo uitgebreid, zo vernuftig als deze. Alles zelf bedacht, zelf gemaakt. En wij waren de eerste toeristen die het te zien kregen.

Toen we weer naar beneden gingen mocht Esra met de baas mee in de lift; hij is nu in zijn klas en ver daarbuiten de enige die ooit met een lift uit een boom is neergedaald. De baas wees ons een afdakje waaronder zijn auto stond; die hadden we eerst niet gezien, zo was hij met groene netten, takken en mos afgeschermd. Er mocht onder de palombière niets zijn dat de duiven door blikkeren of andere opvallendheden zou kunnen afschrikken. Daarom ook de groene ladder, de groene liftkooi, het huisje even donker als het bos. We kregen te zien hoe dat ging met die platformpjes. IJzerdraadjes, hefboompjes, scharniertjes, lusjes, katrolletjes; met onuitputtelijke liefde, vindingrijkheid en geduld in elkaar geknutseld. Nu de baas ze aanwees zagen we langs sommige bomen groene kabeltjes. Daarlangs hees hij zijn vrouwtjes omhoog die dan net zolang op hun platformpjes zaten als de baas zin had om in zijn palombière te zitten.

“Vervelen ze zich daar niet?” vroeg ik. Dat dacht hij ook wel. In zijn hut schonk hij ons een pastis; driekwart glas, zodat ik flink moest drinken voor ik het op smaak kon schenken.

“Hij is weduwnaar”, zei Jeannot op de terugweg, “die palombière is een prachtige manier om de tijd te doden. Anders zit hij maar thuis. En ach, er is maar één Brigitte Bardot. En er zijn zo veel duiven.”