Berio laat klank aanzwellen tot dreigende wervelstormen

Concert: Radio Filharmonisch Orkest en Groot Omroepkoor o.l.v. Peter Eötvös en Jurjen Hempel. Werken van Luciano Berio. Gehoord 30/6 Concertgebouw Amsterdam.

“Ik zie dauwdroppels hangen aan je borsten, als parels met de geur van zweet. Kom bij mij, ook als je een mes verbergt om me te verwonden. Oh, de nacht is lang, te lang.” Zo luidt de tekst van een Perzisch volkslied. Zijn de nachten lang, het leven is kort, verzucht weer een andere melodie uit Kroatië. Ze zijn te horen in Berio's Coro voor stemmen en instrumenten uit 1975-1977, het laatste geluid op het Holland Festival. In Coro zijn vele liedteksten uit Europa, Azië, Zuid-Amerika en Afrika samengebracht. Ze monden uit in een enkele dichtregel van Pablo Neruda, wiens geëngageerde teksten stromen als het door hem beschreven bloed op straat.

Dat is een heel ander onderwerp dan dat in Berio's veel bekender en luchtiger Folk Songs en de muziek ís er ook naar: één giganteske ballade van 31 in elkaar overvloeiende fragmenten in langzaam verglijdende, zeer dichte clusters die aanzwellen tot onheilspellende wervelstormen. Op zichzelf zijn al die kolkende klankvelden indrukwekkend, met veel fantasie zijn ze steeds weer anders uitgewerkt. Radiofonische effecten verwijzen naar Berio's preoccupatie als hoorspelcomponist in diezelfde tijd. En het idee om veertig vocalisten te koppelen aan veertig instrumentalisten getuigt van een kamermuzikaal raffinement. Zo begint één sopraan met pianobegeleiding (Florent Boffard) in een voorbeeldige Berio-gestiek, quasi-improvisatorisch en met veel souplesse, maar het is alsof de componist niet kan afblijven van de vijftien hout- en elf koperblazers, de veertien strijkers, om maar te zwijgen van de niet aan zangstemmen gekoppelde geluidsbronnen als piano, elektronisch orgel en een batterij aan slagwerk.

Als Coro een muziekstuk is van zweet, bloed en tranen, dan is Allelujah II er een van dauwdroppels: licht en luchtig. Wel zijn er nog resten van het Weens expressionisme in terug te vinden waar tenslotte alle avant-gardisten van na de Tweede Wereldoorlog door werden beïnvloed. Allelujah II uit 1956-58 is een verdere uitwerking en in tijd een verdubbeling van Allelujah I uit 1955. Zoals in het vorige Holland Festival een Stockhausen - en nu een Boulez - retrospectief centraal stonden, hoorde op de valreep ook dit Berio-concert bij het idee om de roemruchte jaren uit het midden van deze eeuw te evalueren. Berio's Chemins II c Formazioni Rendering en Secuenza XIII beleefden indertijd in Nederland hun eerste uitvoering. De vroege Berio van Allelujah II is een ander verhaal, te weten het antwoord op Stockhausens groepencomposities. Jan van Vlijmen, directeur van het festival en verantwoordelijk voor al die terugblikken, componeerde trouwens zelf jarenlang niets anders dan stukken voor orkestgroepen.

In Allelujah II waren op het podium in de grote zaal van het Concertgebouw twee groepen van elkaar gescheiden opgesteld, met links vooraan contrabassen en rechts celli. Peter Eötvös dirigeerde tevens zijdelings de groepen op het balkon (met hoge strijkers) en geheel achteraan had Jurjen Hempel het verst verwijderde ensemble onder controle. Het seriële idioom heet ontoegankelijk te zijn, maar ik prefereer deze uiterst spannende en vooral ook verrassend heldere ruimteverkenning verre boven de dicht opeengeperste klanken uit de jaren zeventig. Want als in Coro de quasi-volksmuziekflarden als bloemen door het asfalt breken, laten ze voor mij toch te snel weer hun kopjes hangen. En hier blijf je geboeid vanaf de eerste verkennende fluit met de contrabaspizzicati, verrast door de overal heen springende koperaccenten, de schitterende kleurovername op een enkele losse toon, het hoge pianissimo van de blazers en, misschien iets te veel voor de hand liggend, aan het eind weer de fluit. Nones voor orkest, dat eraan vooraf ging, is veel zwaarder aangezet en iets van die Nones-pathetiek hangt er nog in het centrum, maar dan alleen als een tegenstelling. Vergeten we niet dat Berio waarschijnlijk de enige is geweest van de Darmstadt-generatie, waar de seriële muziek werd uitgebroed (met Maderna), die een jolige Rhumbaramble verwerkte in zijn scenische Minimusique Nr. 2 (1955) want diverterende muziek schreef deze generatie nu juist niet.

Het Radio Filharmonisch Orkest en Groot Omroepkoor gaven deze ongehoord boeiende les verrassend gestalte in een solistische kwaliteit. Zeker de sopranen verdienen een groot compliment. Dat er vrijwel niets te verstaan viel vormde geen punt, want Berio is toch op zijn best in instrumentale toepassingen, ook van de zangstem.

    • Ernst Vermeulen