EEN IEL MANNEKE MET GOEDE POTEN

Jeroen Blijlevens is de enige Nederlandse wielrenner die in staat wordt geacht een etappe te winnen in de Tour de France. In het Brabantse Rijen, het dorp waar Blijlevens opgroeide, praten drie voormalige sprinters over zijn kansen en zijn kwaliteiten. Gerben Karstens (54) won zes keer een massaspurt in de Tour. Theo Smit (45) was twee keer de snelste.

Jean Paul van Poppel (33) nam vorig jaar afscheid met negen sprintzeges en de groene trui voor de beste renner in het puntenklassement.

De rolverdeling is snel duidelijk. De Amsterdamse tongval van Theo Smit en het Tilburgse dialect van Jean Paul van Poppel geven een genuanceerd beeld van het sprintersvak. Zij herkennen zichzelf in de jonge Jeroen Blijlevens en waken voor een te groot optimisme. Gerben Karstens bevestigt zijn reputatie als grappenmaker. Terwijl hij zijn gesprekspartners laat zien hoe een Chinese kreeft moet worden verorberd, vertelt hij oude wielerverhalen over kwakken en betalen.

Van Poppel: “Je bent een sprinter of je bent het niet. Je kunt je techniek iets verbeteren door gericht te trainen, maar je kunt het vak niet leren. Een sprinter kan een goede tijdrit of een beetje bergop leren rijden, kijk maar naar Kelly of Jalabert. Andersom kun je van een goede tijdrijder nooit een goeie sprinter maken.”

Karstens: “Ik reed na een poosje best een aardige tijdrit. In het begin zag ik mezelf trouwens helemaal niet als sprinter. Ik kreeg de naam omdat ik telkens het goeie wiel pakte. Intuïtie. Mentaal ben ik in de loop der jaren sterker geworden. Sprinten heeft veel met de goede mentaliteit te maken. Je moet een beetje een bandiet zijn. Hoewel Jean Paul meer een dooie is op de fiets.”

Van Poppel: “Ik voel me ook geen echte sprinter. Tot vlak voor de meet was ik heel rustig, daarna begon het te borrelen. Dan steeg de adrenaline en kon ik heel intens bezig zijn.”

Smit: “Ik werd de katapult genoemd. Mijn manier van sprinten leek meer op die van Blijlevens en Karstens. Je hebt altijd wel een wiel nodig, maar het moment van de sprint aangaan is telkens anders. Als je wacht tot de ander de spurt begint, ben je vaak al geklopt omdat je in principe allemaal even hard kan rijden.”

Van Poppel: “De eerste jaren reed ik uit het wiel, daarna heb ik zeker drie seizoenen gehad dat ik de sprints leidde. Dat was in mijn beste periode. Dan was je zo sterk, dan wachtte je niet meer af. Cipollini gaat ook van heel ver aan. Die gaat zo verschrikkelijk snel. Als je ouder wordt, rijd je meer op je ervaring, je koersinzicht.”

Karstens: “Voor mij hoefden ze geen sprint aan te trekken. Daar had ik een vreselijk hekel aan. Als er eentje op kop gaat rijden, heb je het niet meer zelf in de hand. Voor hetzelfde geld ben je geklopt. Ik wilde mijn eigen plan trekken. Niemand hield mij uit de wind. Het draait allemaal om intuïtie. Soms gok je verkeerd, dan heb je het verkeerde wiel. Dan heb je het net effe verkeerd ingeschat.”

Van Poppel: “Het kenmerk van een goede sprinter is dat je het inzicht hebt. Theo werd een katapult genoemd, maar ik heb ook wel eens in de laatste honderd meter 40 mannen ingehaald. Dan ga je er blind overheen. Meestal spraken we af dat we elkaar in de laatste kilometer opzochten. Die laatste driehonderd meter zijn van zo'n wezenlijk belang. Daarvoor heeft praten weinig zin, dan word je te nerveus gemaakt. Ik kon mijn weg toch wel vinden. De meeste tactiek had je 's ochtends bij het ontbijt al doorgesproken.”

Smit: “Ik heb twee ritten in de Tour gewonnen. Beide keren hield degene voor mij het voor gezien. Dan heb je geen keus meer en moet je gaan. Het leek een tactiek om aan de andere kant van de weg te rijden, maar het was gewoon toeval.”

Van Poppel: “Je probeert altijd een ploegmaat in de buurt te hebben. Als het goed is laat zo'n jongen er niemand meer tussen. Anders is het net een doodsteek. Dat mag gewoon niet gebeuren. Als je alleen zit, moest je soms iemand van de fiets afslaan om er tussen te komen. Met je ellebogen, niks bijzonders.”

Smit: “Jean Paul had vaak goede renners om zich heen. Die wonnen ook wel eens een rit, die maakten de druk minder groot. Het grootste probleem voor Blijlevens is dat alle ogen op hem gericht zijn. Hij is de enige goeie sprinter die we hebben. Sterker nog: hij is de enige wielrenner die een etappe kan winnen. Dat is tegelijkertijd een groot nadeel. Die jongen staat straks vreselijk onder druk.”

Karstens: “Blijlevens heeft zeker sprinterskwaliteiten. De manier waarop hij vorig jaar in Duinkerken won, getuigde toch van durf en karakter. Het is een klein manneke, maar dat hoeft geen nadeel te zijn. We hebben in het verleden meer kleine sprinters gehad. Theo is ook niet groot natuurlijk.”

Van Poppel: “Je moet jezelf bewijzen. Ik heb het eerste jaar een paar keer gewonnen en dan krijg je respect. Dan gaan ze je naar voren hengsten. Dan gooien ze zich voor jou in het geweld. Maar dat moet je wel afdwingen.”

Smit: “Blijlevens heeft vorig jaar toch bewezen dat hij de potentie heeft. Een renner met klasse komt altijd terug. Gerben, jij zei toch altijd dat je een renner nooit moet afschrijven zolang zijn fiets niet aan de haak hangt.”

Van Poppel: “Ik heb vaak in een ideale ploeg gereden, met allemaal jongens voor de plat. Tegenwoordig zitten ze in dit kikkerlandje allemaal naar klimmers te zoeken. Ik was niet de enige die won. Dan sta je toch minder onder druk. Er was meestal veel vertrouwen in de ploeg.”

Smit: “Vertrouwen is voor Jeroen heel belangrijk. De mensen moeten in hem blijven geloven, ook als het even wat minder gaat. Als ze hem naar buiten schoppen omdat ze geen geduld hebben, zijn ze verkeerd bezig. Het draait allemaal om geduld.”

Karstens: “Als ik hoor hoe Cees Priem over hem praat, veel te negatief. Een ploegleider heeft gauw het vertrouwen verloren als iemand niet meer wint. Terwijl je een sprinter juist moet vertroetelen. Glaasje champagne drinken 's avonds. En voortdurend op die jongen inpraten.”

Smit: “Als Priem Blijlevens laat barsten en er is niemand die hem opraapt, dan is het over en uit met Blijlevens. Een sprinter moet gekoesterd worden, verwend worden. Dat geeft moraal. De sfeer binnen de ploeg is heel belangrijk. Ik kreeg alle vertrouwen van Piet Liebregts. Hij wist dat het een keer zou lukken.”

Van Poppel: “Blijlevens krijgt het lastig genoeg de komende weken. Het valt tegenwoordig niet mee om een etappe te winnen. Geen enkele wedstrijd is te vergelijken met de Tour. Ze rijden net een paar procent harder, dus krijg je ook een andere finale. In de tijd van Karstens had je nog wel eens een wandeletappe, maar dat is er niet meer bij.”

Karstens: “Alsof het vroeger allemaal makkelijker was, schei toch uit. Ik had liever een snelle etappe, dan ging die sprint vanzelf. Na een wandeletappe was ik meestal niet vooruit te branden. Hoe hoger het tempo, hoe harder een finale, des te beter sprintte ik altijd.”

Smit: “Het is heel verstandig geweest dat Jeroen niet naar Italië is gegaan. Hij is nog niet rijp genoeg om zo'n avontuur aan te gaan. Je kunt van Priem zeggen wat je wilt, maar bij TVM past hij beter dan bij een grote buitenlandse ploeg. Laat hem eerst nog maar een paar jaar ervaring opdoen.”

Van Poppel: “Je kunt pas achteraf zeggen of je bij een ploeg past. Dat lees je af aan de resultaten. Op het moment zelf geloof je er heilig in, maak je er het beste van. Dan ben je een beetje blind.”

Karstens: “Er wordt te veel van Blijlevens verwacht. Ik weet nog dat ik hem voor het eerst tegenkwam in het dorp. Hij was een jaar of acht en wilde alles weten over wielrennen. Toen dacht ik wel eens: ben je niet te vroeg begonnen. Achteraf heeft hij het toch goed gedaan. De meeste knapen die op zo'n jonge leeftijd op de fiets stappen zijn op hun twintigste al verzadigd.”

Van Poppel: “Ik heb veel met hem getraind. Hij heeft een opvliegend karakter, heel anders dan ik. Ik was in principe ook sterker. Eerlijk gezegd begrijp ik niet waar hij de kracht vandaan haalt. Hij is een beetje ielig. Gelukkig staan er goede poten onder dat kleine lijf. Dat moet ook wel, anders kan je zo'n sprint niet trekken met zo'n zwaar verzet.”

Karstens: “Groot rijden en dan nog sprinten was niks voor mij. Ik reed zo lang mogelijk klein. Dat had ik van Gerrit Schulte geleerd.”

Van Poppel: “Ik won mijn laatste Tour-etappe zonder hulp van een ploegmaat. Dat was twee jaar geleden. Ik gebruikte toen voor het eerst de 11. Die had ik meer nodig om van voren te komen dan om de sprint te winnen. Ik vloog iedereen voorbij.”

Karstens: “Ik heb mezelf altijd één ding voorgehouden; je moet van voren zitten, klootzak. Als je verzaakt ben je gezien. Op twintig kilometer van de meet moet je van voren zitten.”

Smit: “In mijn tijd reden de meeste sprinters met een 13. Als het tempo niet hoog ligt, is zo'n zware versnelling eerder een nadeel. Je hebt in een parcours altijd verrassingen, met een scherpe bocht die je niet verwacht of een steil klimmetje. Dan rijd je opeens tegen een muur op.”

Van Poppel: “Ik ging altijd steendood voor we de laatste tweehonderd meter in gingen. Dat kon ik mezelf in elk geval niet verwijten dat ik niet de ideale positie had. Afgeven op m'n ploegmaten heb ik ook nooit gedaan. Hoewel je soms toch te weinig werd gesteund. Dan liet iemand zomaar een gat vallen.”

Karstens: “Hebben jullie wel eens angst voor valpartijen gehad?”

Van Poppel: “Als je bang bent, ben je slecht. Als ik heel slecht was zag ik overal gevaren. Dan was ik er niet mee bezig. Om mezelf te beveiligen gebruikte ik mijn handen wel eens, dat wordt geaccepteerd. Ik heb wel eens mijn handen gebruikt met Abdoesjaparov. Die kwam van rechts naar links en begon aan het hek te wringen. Hij ging doordouwen en toen heb ik hem opzij gemikt. En ik heb Teuntje van Vliet een keer een gooi gegeven. Toen knalden er aan de andere kant twintig op de bek. Daar ben je dan voor de buitenwereld schuldig aan, maar zelf weet je dat je niet anders kon.”

Karstens: “Ik ben wel eens vijf keer gevallen in een paar dagen tijd. Vijf keer lag ik op mijn kloten in de Ronde van Spanje. Ik kreeg angst voor elke steentje, voor elk kiezeltje. Dat heeft een maand geduurd voordat ik er van af was. Ik had valangst gekregen.”

Smit: “Op de fiets denk je niet aan vallen. Alleen als je een probleem in je hoofd hebt, met je vrouw, je geld of bij wijze van spreken met je buurvrouw. Dan gaat het fietsen vanzelf minder. Dan ben je minder geconcentreerd en krijg je valpartijen.”

Karstens: “Ik heb een keer ene meneer Durante naar achteren gekwakt. Hij reed in de weg, een klein mannetje. Laat ik nou net die sprint winnen! 'Pagare Karstens', riep hij. Ik denk betalen en zand erover. Een dag later slaat hij me vol op m'n bek bij het vertrek. Echt gebeurd.”